Caviabak

Hoofdredactioneel commentaar – door Peter Paul J. Doodkorte

“Het speelkwartier is voorbij,” kopt een artikel over het Centrum voor Jeugd en Gezin )CJG in Binnenlands Bestuur van deze week (zie ook pagina 17/18 van deze nieuwsflits). Er moeten nu koppen met spijkers worden geslagen.` 

Het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) is een inlooppunt voor gezinnen. Ouders, kinderen, jongeren tot 23 jaar en professionals kunnen hier terecht met alle vragen over opvoeden en opgroeien. 2011 is in iedere gemeenten minimaal één inlooppunt aanwezig. In elke CJG is in ieder geval te vinden:

  • jeugdgezondheidszorg (het consultatiebureau begeleidt kinderen tot 4 jaar en hun ouders. Daarna neemt de afdeling jeugdgezondheidszorg (JGZ) van de GGD de zorg over);
  • deskundig advies en ondersteuning bij alle vragen over opvoeden- en opgroeien.

Het doel van een CJG is een centraal laagdrempelig inlooppunt te zijn voor alle vragen op het gebied van opvoeden en opgroeien ouders, kinderen, jongeren tot 23 jaar en professionals en het bieden van ondersteuning en hulp aan ouders en verzorgers.

Een aantal maanden geleden kocht ik een nieuwe auto. Na ommekomst van de zorgvuldig afgesproken termijn bleek de afgesproken levering niet mogelijk. Een aantal nieuwe afspraken volgde, met hetzelfde effect. De leverancier legde mij een en andermaal uit dat het niet aan hem lag, maar aan zijn toeleverancier. Hetgeen bij mij de frustratie en ergernis deed toenemen. Wat ik het ook uitlegde: Ik heb geen afspraken gemaakt met de toeleverancier, maar met jou! Ik ben als klant niet verantwoordelijk voor het aanspreken van jouw toeleverancier. Dat is jouw verantwoordelijkheid. En daar moet ik als klant op kunnen rekenen. Het duurde even voor hij het begreep en accepteerde.

 

De Nederlandse overheid wil graag haar gemeenten en overige overheidsorganisaties stimuleren de diensten in de frontoffice, op basis van samenhangende behoeften of vraagpatronen van klanten en burgers, samen te voegen. Deze zogenaamde éénloketgedachte is in 1996 geïntroduceerd door het ministerie van BZK. Parallel aan deze introductie werd in het land druk geëxperimenteerd met de één-loketgedachte.

Het begrip geïntegreerde dienstverlening is goed ingeburgerd bij gemeenten en overige overheidsinstellingen. Bij gemeenten en overige overheidsinstellingen associeert meer dan de helft het begrip met ‘zoveel mogelijk producten en diensten leveren in één loket’ en eenderde het begrip met ‘vraag van de klant centraal en vraagpatronen’. Het niet meer van het kastje naar de muur wordt al belangrijk argument genoemd. Maar tussen theorie en praktijk bestaat – helaas – een grote kloof. Want wat zien wij op het terrein van – bijvoorbeeld – de zorg voor jeugd?

Met de komst van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) krijgen gemeenten nieuwe verantwoordelijkheden en mogelijkheden om de ondersteuning van burgers in hun gemeente vorm te geven. Bij deze nieuwe verantwoordelijkheden hoort ook een nieuw lokaal loket. Hier kunnen burgers informatie en advies krijgen over voorzieningen, vindt vraagverheldering plaats en wordt zo mogelijk ook de toegang tot individuele Wmo voorzieningen onder gebracht.

Terwijl gemeenten – in het kader van de WMO – bezig waren het Wmo-loket in te richten, bedacht het ministerie van Jeugd en Gezin nut en noodzaak van een loket voor opvoedingsondersteuning: het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Natuurlijk kon toen ook de justitieketen niet achterblijven met het maken van 1 loket. En dus kwam het Veiligheidshuis op de proppen. Als je als ouder of jeugdige vervolgens aangewezen bent op vormen van geïndiceerde zorg, heb je aan deze loketten weinig. Dan moet je – op zijn best via een backoffice van het CJG of het veiligheidshuis – naar het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) of Bureau Jeugdzorg.

Vanuit de burger geredeneerd is één lokaal loket één plek, dichtbij en goed toegankelijk, waarin een aantal functies worden vervuld: vraagverduidelijking (het begrijpen van de situatie, wensen en problemen en mogelijkheden voor oplossingen benoemen), transparant aanbod (de burger krijgt een overzicht van het passend aanbod, voordelen, nadelen, voorwaarden etc.), en het regelen van (toegang tot) de voorzieningen (helpen aanvragen, verzamelen gegevens, bemiddelen).

Ik hanteer de volgende definitie:

Een lokaal loket is een (gemeentelijke) voorziening die informatie, vraagverheldering, advies, bemiddeling en vaak ondersteuning en toegang tot voorzieningen biedt op de terreinen van wonen, zorg en welzijn.

Zoveel mogelijk van deze functies vinden plaats in de frontoffice van het loket, waarbij de cliënt direct en op dezelfde locatie wordt geholpen. Cliënten worden aan een balie of een andere plek binnen het loket ontvangen en zij worden begeleid in het vinden van een antwoord op hun hulpvraag. Daarbij is niet de cliënt maar het backoffice verantwoordelijk voor het opstarten en in stand houden van het contact. Nu is het backoffice nog teveel een apart instituut waarnaar het frontoffice (het loket) verwijst.

Een alternatief voor al deze loketten is een netwerkorganisatie waar de zorg anders georganiseerd wordt. Anders wil zeggen dat de hulp zich niet richt op één bepaald domein of stoornis maar op de verwevenheid en opeenstapeling van de verschillende domeinen of stoornissen. Door coördinatie en samenhang in het aanbod waarbij meerdere zorgverleners betrokken zijn aan te brengen, ontstaat er een meerwaarde die de door de cliënt ervaren verbrokkeling voorkomen en de continuïteit, kwaliteit – en daarmee het effect – beter gewaarborgd.

De organisatie van zorg en welzijn zou op dit punt het nodige kunnen leren van de ontwikkeling in de autobranche. Naar analogie van de woonboulevard ontwikkelde de autobranche in de jaren ’80 de autoboulevard. Inmiddels ontwikkelen deze boulevard, die zich kenmerkten door merkloketten (vergelijk CJG-loket, WMO-loket, Veiligheidshuis) tot Carplazas: van strak gescheiden merken tot samen sterk. De kracht van de synergie door een gemeenschappelijke marketing, reclame, acties en later een internetsite laat zich hier steeds duidelijker gevoelen. Inmiddels zet deze trend van het onder een dak onderbrengen van verschillende merken – daarbij gestimuleerd door de fusie en schaalvergroting aan producentenzijde – gestaag door en profiteert men van een gemeenschappelijke werkplaats. In eerste instantie zag men de kleinere merken op deze wijze de handen ineenslaan. Maar sinds kort laat de nieuwere autoboulevard ook zien dat volumemerken van de synergie kunnen profiteren.

In het licht van het voorgaande bezien is het misschien goed om de constatering “het speelkwartier is voorbij” ook en integraal van toepassing te verklaren op de overige ´speeltuintjes´ die overheid en zorginstellingen in de afgelopen jaren creëerden met hetzelfde doel. Het saneren van al deze aparte ‘speeltuintjes’ kan bijgedragen aan een transparant en duidelijk aanbod voor ouders, kinderen, jongeren en professionals. Het geheel heeft nu meer weg van de caviabak uit ooit de Wie-kent-kwis van Fred Oster. Waarbij het resultaat meer een factor van geluk dan van goede logistieke planning is.

Fusies van ministeries?

Hoofdredactioneel commentaar – door Peter Paul J. Doodkorte

Volgens de jongste nieuwsberichten hebben de onderhandelaars van VVD, CDA en PVV vergaande overeenstemming bereikt over het verminderen van het aantal ministeries. Net als bij de mislukte Paars-plus formatie willen ook de onderhandelaars van VVD, CDA en PVV flink de bezem halen door de Haagse ambtelijke organisatie. Ze zijn het eens over verschillende samenvoegingen van departementen:

  • Vrom en Verkeer en Waterstaat fuseren en dat wordt het ministerie van Ruimte.
  • Justitie neemt het gezag over de (nieuwe nationale) politie over van Binnenlandse Zaken en wordt opgetuigd tot een groot departement: ’Veiligheid en Recht’.
  • Binnenlandse Zaken wordt sterk afgeslankt en beperkt zich vooral tot taken voor het lokaal bestuur.
  • Daarnaast worden Economische Zaken en Landbouw samengevoegd tot een departement voor ’Bedrijvigheid’. Aan het Binnenhof wordt steeds vaker voorspeld dat ’Bedrijvigheid’ in handen van het CDA komt, met Maxime Verhagen als minister.

De bestaande projectministeries voor Wonen, Wijken en Integratie en voor Jeugd en Gezin zullen volgens betrokkenen rond de formatie worden opgeheven bij aanvang van de komende kabinetsperiode.

Mijn advies aan de onderhandelaars is de door elk weldenkend mens verfoeide versnippering van de uitvoeringspraktijk op het terrein van zorg en welzijn aan te grijpen om te komen tot een ministerie voor Opgroeien en Meedoen (MOM). In dit  ministerie zouden in ieder geval het huidige het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het huidige programmaministerie voor Jeugd en Gezin moeten opgaan. Aanvullend kan gedacht worden aan de kinderbeschermingstaken welke nu nog belegd zijn bij het Ministerie van Justitie. Voorts zou overwogen kunnen worden om Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen te voegen met het nieuwe departement voor ’Bedrijvigheid’.

De ministeries dienen zich enkel bezig te houden met hun primaire kerntaken. Zo kan de samenhang van vraagstukken van een bestuurlijke aanpak worden voorzien. De departementale organisatie moet deze verantwoordelijkheidstoedeling volgen en ondersteunen. Ook de financiële organisatie moet hieraan worden aangepast.

Of het ook gaat lukken? Ik heb er een hard hoofd in. Het is een kwestie van lange adem en politici zijn per definitie kortademig. Het is niet gemakkelijk dit soort instituten te veranderen. Bestuurlijke hervormingen zijn niet zelden een ‘sluitpost bij de formatieonderhandelingen. Je maakt ruzie over lasten, over investeringen in onderwijs en zorg, in het buitenlands beleid. Dan ga je elkaar hierover niet meer te vuur en te zwaard bestrijden. Het is taaie materie, hard werken en meer managen en besturen dan politiek bedrijven. Daarnaast is er bij de overheid, net als in elke andere organisatie, een soort weerstand om fundamenteel te veranderen, zeker op de werkvloer.

De lust tot snoeien in de departementen kent precedenten. In 1993 presenteerde de commissie-Wiegel plannen voor de inrichting van kerndepartementen. Toenmalig premier Ruud Lubbers beloofde de Tweede Kamer met een schets te komen waarin de vorming van kern-departementen uitgewerkt zou worden. In twee daaropvolgende kabinetsperiodes zou daar vervolgens naar toe worden gewerkt. Maar Lubbers verloor de verkiezingen, en de twee kabinetten-Kok lieten de bestuurlijke organisatie grotendeels in stand. In 2005 liet toenmalig minister voor Bestuurlijke Vernieuwing Thom de Graaf (D66) weten nog die kabinetsperiode het aantal ministeries te willen verminderen. Tevergeefs, zo bleek. En in de aanloop naar de meest recente verkiezingen hield PvdA-leider Wouter Bos een pleidooi voor zeven ministeries, om vervolgens als vice-premier aan te treden in een kabinet met eveneens zestien ministers.

Van alle voorstellen tot bestuurlijke vernieuwing sinds de jaren zeventig is ‘niets goeds terechtgekomen’, zegt ook Ton Horrevorts, directeur van HMSmanagement. Samen met Ralph Pans (oud-SG van Verkeer en Waterstaat) schreef hij het in 2005 verschenen boek Kerndepartementen. Een nieuwe overheid, ook aan de top. Dat heeft, stelt hij, ‘voor een deel te maken met het gebrek aan belangstelling bij politici voor de organisatie van de overheid.’

Ook de PVV van Geert Wilders heeft ‘minder ministeries’ op de agenda staan, getuige het verkiezingsprogram van Wilders’ partij. Maar planning en uitvoering van dergelijke plannen zijn verre van concreet. Gevraagd naar details over de VVD-plannen zegt een woordvoerder van fractievoorzitter Mark Rutte dat ‘we zover nog niet zijn. Maar er zal zeker een moment komen dat we het in detail uitwerken.’ En dat is ook de positie van het CDA

Bovendien moet er wel gewaakt worden voor een dreigend neveneffect: een stevige tendens naar centralisatie. Het huidige debat over het samenvoegen van de ministeries heeft niets te maken met vernieuwen, maar alleen met bezuinigen. Zoals ook de discussies over het nut van provincies en het snijden in het aantal gemeenten. Dat zijn allemaal discussies die niets te maken hebben met een doelmatige, effectieve wijze van inrichten. Het motief voor het veranderen van het aantal ministeries moet absoluut meer zijn dan alleen het kostenplaatje.

Wiegel was in 1993 voorzitter van een commissie die onderzoek deed naar het samenvoegen van ministeries. De conclusie van de VVD’er was dat het samengaan van departementen geen goed idee is. Die mening is hij nog steeds toegedaan.

De vraag is of het samenvoegen van departementen goedkoper is. Het Centraal Planbureau wil hier nog geen uitsluitsel over geven omdat alle verkiezingsprogramma’s op dit moment worden nagerekend, maar wijst er wel op dat reorganisaties niet alleen maar geld opleveren, maar ook geld kosten.

Wakker worden – en wel nu!

Hoofdredactioneel commentaar – door Peter Paul J. Doodkorte

In mijn hoofdredactioneel commentaar van 19 juli jl. (nieuwsflits jeugd “verruim de horizon’ aflevering 54) riep ik de Tweede Kamer op terug te komen van reces en te komen tot één financieringsstelsel voor de jeugdzorg. Deze op roep heeft – helaas, maar zoals verwacht – geen resultaat gehad. Toch wil ik hem nogmaals in herinnering roepen. Niet in de laatste plaats bij de leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal zelf. Ik voel mij in mijn oproep gesterkt door de reactie van (inmiddels oud-)informateur Ruud Lubbers tijdens het  Tweede Kamerdebat over de kabinetsformatie op 3 augustus jongstleden.

Terwijl de fractievoorzitters van D66, GroenLinks en PvdA. Alexander Pechtold (D66), Femke Halsema (GroenLinks) en Job Cohen (PvdA) meer dan kritisch waren over de manier waarop Lubbers met de informatieopdracht van de koningin was omgesprongen, kaatste de oud-premier en minister van Staat de bal terug en verweet de fracties dat ze veel eerder aan de bel hadden moeten trekken als het hun niet aanstond dat er gepraat werd over een rechts minderheidskabinet. Volgens Lubbers had hij vrijdag 23 juli ‘in alle helderheid’ naar buiten gebracht dat hij van zijn opdracht zou afwijken en dat uit de informele gesprekken tussen VVD, CDA en PVV ook een minderheidskabinet zou kunnen ontstaan. Dit was volgens Lubbers hèt moment geweest om te protesteren en bij de informateur of de Kamervoorzitter aan de bel te trekken. Lubbers gaf dit antwoord als reactie op het verwijt van PvdA-leider Cohen die vond dat tijdens het spel de spelregels waren veranderd, omdat de informateur alleen de opdracht had de mogelijkheden voor een meerderheidskabinet te onderzoeken.

Het kost niet veel moeite om deze situatie te vergelijken met het debat over de toekomst van de jeugdzorg.

Op 10 februari 2010 werd in de Rode Hoed een symposium gehouden over de jeugdzorg. Politici, prominenten, wetenschappers en hulpverleners gaven hun ervaring en visie hierover. In april 2010 stuurde demissionair minister Rouvoet de nota ‘Perspectief voor Jeugd en Gezin’ naar de Tweede Kamer. Dinsdag 18 mei 2010 presenteerde de parlementaire werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg haar rapport. De voorzitter van de parlementaire werkgroep, Pierre Heijnen, spreekt in zijn voorwoord  (Jeugdzorg dichterbij Werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg 18 mei 2010)  van “de brede problematiek van de Jeugdzorg”.

Wie het nieuws volgt, moet de indruk krijgen dat er van alles mis is met onze jeugd en de jeugdzorg. De politici schreeuwen moord en brand en om maatregelen. En wel nu! Wie denkt dat de urgentie nu groot genoeg is, komt bedrogen uit. En dat speelt al langer! Op 20 juni 2008 (!) blogt SP-Kamerlid Marianne Langkamp “dat minister Rouvoet met een noodplan moet komen voor de jeugdzorg. Ons geduld is zo langzamerhand echt op. Wij hebben de minister keer op keer opgeroepen zijn verantwoordelijkheid te nemen. Als hij dit keer weer verzaakt maatregelen te treffen in de jeugdzorg, dan is het wat ons betreft einde verhaal voor deze minister.”, zegt Langkamp.

De nood en noodzakelijkheid van ingrijpen – zegt de politiek – is groot. En  hoewel er een – naar eigen zegen – kamerbreed gesteund advies van de parlementaire werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg  ligt, verklaart zij het onderwerp vervolgens controversieel. Hoezo ‘kamerbrede visie’ of ‘kamerbrede steun’? Met Lubbers stel ik vast dat de Tweede Kamer eens goed naar zichzelf zou mogen kijken.

De politiek heeft nogal de neiging te problematiseren. Er wordt een commissie ingesteld en dan volgt een rapport. Je kunt je dan ook voorstellen dat de politiek niet achterover leunt, maar er zelf ook mee aan de slag gaat. Maar niets van dat alles. De Tweede Kamer verliest (of moet ik zeggen ‘wentelt’) zich in incidenten. Dat scoort sneller en makkelijker en leidt lekker af van de eigen verantwoordelijkheid: duidelijke en werkbare kaders stellen. 

De politiek moet weer politiek worden. De Kamer moet zelf haar verantwoordelijkheid nemen. Ik haal in dit verband het eerder genoemde PvdA-Kamerlid Pierre Heijnen nog eens aan. Hij zei,  tijdens een debat over de vernieuwing van de rijksdienst (2009): ‘De Kamer is in zekere zin een weerspiegeling van de organisatie van de rijksoverheid, kijk maar naar onze commissies die zijn onderverdeeld naar departement.’.‘Die structuur zouden we best eens kunnen herzien, met een wat meer themagerichte indeling bijvoorbeeld.’ Om even daarna op te merken: ‘We moeten bij dit soort onderwerpen meer de lead nemen. Dat betekent dat de Kamer iets meer een meebesturende rol aanneemt en iets minder controlerend wordt. Dat past in een situatie waarin veel beleid gedecentraliseerd wordt,’ aldus Heijnen.

CDA-parlementariër Jan Schinkelshoek merkte in datzelfde verband op: ‘De Kamer moet het goede voorbeeld geven. We hebben afgesproken dat we meer eigen onderzoek gaan doen, dwars door alle structuren heen. We moeten nog maar zien of dat ervan komt, maar ik zit er bovenop.’

Mooi woorden. Maar waar blijven de daden?

Oud-minister van Binnenlandse Zaken leverde als pièce de résistance van het fatsoensoffensief onder haar leiding een ‘handvest verantwoordelijk burgerschap’op. Daar hoort een ‘waardencatalogus’ bij. ‘Daarin legt de overheid vast wat ze goed burgerschap vinden. Wordt het geen tijd voor een nieuw burgerinitiatief  voor een ‘handvest ‘verantwoordelijk politiek leiderschap’?

Wat ik me daarbij moeten voorstel? Stimuleren dat volksvertegenwoordigers niet als roepende langs de zijlijn acteren, terwijl zij nota bene midden in de arena staan. Zij zien leiderschap vaak als iets waarin anderen falen en vergeten ondertussen in de spiegel te kijken.

Nawoord:
Voor de goede orde: ik pleit niet voor een – al dan niet overhaaste – stelselwijziging in de jeugdzorg. De problemen worden niet opgelost door steeds te schuiven met verantwoordelijkheden, voorzieningen op te heffen of juist nieuwe instellingen in het leven te roepen. Maar van het onnodig uitblijven van een duidelijke koers wordt niemand beter.

PS
Het zal wel ijdele hoop zijn, maar als de leden van de Twee Kamer nu eens ophouden met klagen, niet meer op de eigen informatie blijven zitten, maar er wat mee doen, hebben zij niet alleen een prachtige , maar vooral ook betekenisvolle baan. De Jeugdzorg moet en kan beter, maar dat vergt eerst en vooral een uitspraak van de Tweede Kamer over de gewenste ontwikkelingsrichting. Daarom nogmaals die hartenkreet: Wakker worden! En wel nu. En van de tribune komen!

Inspiratie

Hoofdredactioneel commentaar – door Peter Paul J. Doodkorte

Het voordeel van de zomerse vakantieperiode is, dat er (meer) tijd is voor verdieping van bestaande contacten. Zo was er deze week gelegenheid voor een uitgebreider werkbezoek aan Fier Fryslân te Leeuwarden. De dag – georganiseerd door Fier Fryslân – was bedoeld om kennis uit te wisselen en inspiratie op te doen.

Fier Fryslân is een expertise- en behandelcentrum op het terrein van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Zij willen geweld in relaties helpen voorkomen en stoppen. En ze bieden hulp bij de gevolgen van dit geweld. Ze helpen slachtoffers, getuigen én plegers die te maken hebben met geweld in een relatie, zoals kindermishandeling, jeugdprostitutie of eergerelateerd geweld. Ze proberen geweld te voorkomen met preventieve maatregelen en goede voorlichting. Waar nodig zorgen zij voor opvang op een veilig en anoniem adres.

Wat mij naast de passie, die ik aantrof bij elk van de betrokken medewerkers,  tijdens deze dag bijzonder trof en inspireerde was het ervaren dat ‘de cliënt centraal’ geen goedbedoeld uithangbord  hoeft te zijn, maar echt vorm kan krijgen; en bij Fier Fryslân krijgt. Het  inzicht van de cliënt en het actief en in dialoog luisteren is bij Fier geen techniek, maar een vanzelfsprekende houding. De openheid waarmee over, met  en door de cliënten – jonge meiden met een bijzondere geschiedenis – gesproken werd was hartverwarmend.

Het bezoek sterkte mij in mijn persoonlijke overtuiging dat de cliënt iemand is die best weet wat er met hem aan de hand is en over gezonde krachten beschikt waarmee hij of zij zelf is staat is problemen op te lossen. Als er mensen zijn die zich realiseren dat problemen zich niet laten oplossen door ze over te nemen, maar door mee te lopen op de eigen kracht van de cliënt zelf. De hulpverlener is daarbij een dienstverlener die ‘slechts’ een begeleidinsfunctie heeft en die meewerkt aan het realiseren van nieuw perspectief door de  totale aanvaarding van de cliënt mét zijn problemen.

Oprechte empathie, het zich kunnen inleven in de gedachten en gevoelens van de ander, speelt daarbij een belangrijke rol. Daarbij is er de notie dat begrip alleen voor de – niet zelden nauwelijks te bevatten – geschiedenis van de meiden niet tot nieuw perspectief leidt. Niet in de laatste plaats ook, omdat er voor veel van de ervaringen van de meiden van Fier Fryslân – geen oplossingen zijn. De ervaringen zijn onmiskenbaar en onuitwisbaar. Elke poging de oorzaken van het probleem te doorgronden en daarmee te suggereren dat je ze kunt oplossen doet hen onrecht. Waarmee niet gezegd is, dat zij onbesproken blijven. Integendeel. Maar zij worden geplaatst in een meer op de toekomst gerichte houding: wat wil je bereiken (wat wil je niet meer, en wat wel), wat is daarvoor nodig, wat kun jij daar zelf voor doen en wat heb je daarvoor van een ander nodig.

Alle handelingen bij Fier Fryslân zijn doelgericht. Daarbij zijn heldere, concrete en specifiek meetbare doelen belangrijk. Er is een realistische kijk op de haalbaarheid daarvan, waarbij de meiden – in dialoog met de coach – bepalen wanneer het probleem voldoende is opgelost en zij genoeg zelfvertrouwen hebben om verder, voorbij het probleem, te gaan. Het voorkomt ook dat de behandeling c.q. coaching langer dan gewenst of nodig duurt zonder dat er succesvolle veranderingen zijn bereikt.

De moeilijkheid van het probleem onderkennen en herkennen én het positief bevestigen van wat de meiden al goed doen, bemoedigt en motiveert hen tot verandering. Zij voelen daarbij tegelijkertijd de betrokkenheid en het begrip van hun coach.

 Het werken aan perspectief, het ‘wonder van de toekomst’ helpt de meiden van Fier Fryslân de eerste stappen op weg naar oplossingen te definiëren en te verbinden met het gewenste doel. Zonder onrecht te doen aan de immensiteit van het doorleefde probleem nodigt dit hen uit zelf kleine, realistische en concrete stapjes in de richting van de gewenste toekomst te maken. Het helpt hen een beeld te vormen van hoe die er uit zou kunnen zien. En, met een goede opvolging van deze stap, helpt het hen zelf verder te bouwen en stapsgewijs het probleem om te vormen in hanteerbare en haalbare acties. Niet door het probleem op te lossen, maar door het een hanteerbare plek te geven in de eigen geschiedenis.

Met een gevoel van diep respect voor de openheid en het vertrouwen welke ik aan de meiden en de medewerkers van Fier Fryslân mocht ervaren mijmer ik onderweg de volgende mij inspirerende samenvatting van deze welbestede dag: Opruimen, verwerken en weer zin in de toekomst. Dan hoef je niet meteen te weten wat je met die toekomst wilt, maar het is heerlijk om te beseffen wat je niet meer wilt. En te beseffen wat je inspireert en blij maakt.

Vernieuwen doe je door een stap te dúrven zetten

 

 Hoofdredactioneel commentaar – door Peter Paul J. Doodkorte

De kabinetsonderhandelingen duren maar voort. Een kabinetsvariant die volgens Jeroen Smits (Volskant, VK.nl 25 juli) tot op heden nauwelijks aandacht heeft gekregen is het vijfpartijenkabinet van CDA, PvdA, Groen Links, D66 en ChristenUnie. Volgens hem kan zo een kabinet bogen op een meerderheid van 76 zetels. “Net zo veel als het stabiele kabinet Van Agt/Wiegel in de jaren zeventig en één zetel meer dan de combinatie CDA-VVD-PVV,”aldus Smits.

Smits schrijft vervolgens: “De Nederlandse politiek is huiverig voor brede kabinetten. Toch laat de lange ervaring van andere landen (Finland, België, Israël) zien dat dit geen bezwaar hoeft te zijn als de wil aanwezig is er iets van te maken en iedere partij een domein heeft waar ze iets van haar programma kan realiseren. Bij deze variant is dat duidelijk het geval.

Voor de verliezers CDA en ChristenUnie is het een moeilijke stap om weer aan te schuiven, maar beide partijen hebben veel te winnen als ze meedoen. De ChristenUnie moet weerstand bieden aan de reflex zich in eigen kring terug te trekken. Rouvoet heeft prima werk verricht op het gebied van de jeugdzorg. Op hem en zijn partij rust de verantwoording om dit lastige maar belangrijke karwei voort te zetten en daadwerkelijke vernieuwing door te voeren. Het sociaal-christelijke aanzien van de partij kan worden versterkt door de electoraal minder passende portefeuille van defensie af te stoten.”

De verdere analyse van Smits onderbouwt de – in zijn ogen – legitimiteit van een dergelijke politieke keuze: “Voor een regentenpartij als het CDA is het belangrijk dat ze haar stempel op beleid en benoemingen kan blijven drukken. Het lijkt aannemelijk dat de meeste van de huidige CDA-bewindspersonen graag voor vier jaar willen bijtekenen. De Jager begint net goed op dreef te komen op Financiën en ook Klink heeft meer tijd nodig om zijn herstructurering van zorg en welzijn af te ronden. Bij de huidige smalle basis biedt samenwerking met de ChristenUnie ook ruimte voor christelijke politiek.

Meedoen betekent het serieus nemen van de kiezers die in moeilijke tijden voor je gekozen hebben. Meedoen betekent ook bewindspersonen leveren. De spanningen tussen CDA en PvdA zaten deels in de onverenigbare karakters van Bos en Balkenende. Die zijn van het toneel verdwenen. De meeste andere bewindslieden konden, in ieder geval publiek, beter met elkaar opschieten. Als de wil om te regeren aanwezig is, dan heeft deze variant – vernieuwend én sociaal – ons veel goeds te bieden.”

En juist op dit punt aarzel ik. In ieder geval waar het de vernieuwing betreft. In het bijzonder de constatering van Smits dat Rouvoet “prima werk (heeft) verricht op het gebied van de jeugdzorg.” Want, waar is die vernieuwingsdrang van Rouvoet gebleven sinds de val van het laatste kabinet Balkenende? Op het terrein van jeugdzorg is volstrekte windstilte opgetreden. De door het kabinet en de kamer als zo dringend noodzakelijke vernieuwing van het jeugdzorgstelsel ligt volledig stil. Terwijl er (ogenschijnlijk) zoveel overeenstemming was en is over de richting van die vernieuwing. Om over de doodse stilte rond de wachtlijsten in de jeugdzorg nog maar te zwijgen. Sinds Balkenende IV is gevallen, schijnt de politieke belangstelling daarvoor volstrekt verdwenen.

Zeker en vast, ik heb het al vaker betoogt, de wachtlijsten zijn niet de oorzaken van de problemen in de jeugdzorg. Die liggen op het terrein van de versnipperde financiering en onvoldoende focus op (afrekening op) resultaat (= uitstroom) van de jeugdzorg. Maar de wachtlijsten vormden wel een belangrijke katalysator voor de aandacht die er was voor de jeugdzorg. Aandacht die zich te vaak en te snel vertaalde in nog meer geld voor de jeugdzorg. Maar niet de omvang van het voor de jeugdzorg beschikbare geld is het probleem. Wel het ontbreken van een eenduidig financieringsstelsel. Daarin ligt de oorzaak van de zo gewraakte versnippering van beleid en aansturing. Niets anders dan politiek-bestuurlijke belangen staat invoering daarvan in de weg.

Met duidelijk koersgevende adviezen vanuit en kamerbreed samengestelde commissie ligt daartoe een gouden kans op tafel. Maar, terwijl begin dit jaar voor de jeugdzorg het moment waarop spijkers met koppen konden worden geslagen met rasse schreden leek te naderen, juist nu blinkt Rouvoet, voor de jeugdzorg toch nog altijd de gezagvoeder van dienst – hoewel demissionair – uit in besluiteloosheid. Daarom deze hartenkreet aan het adres van Rouvoet: “Vernieuwen doe je niet vanuit de leunstoel,  maar door op een gegeven moment ook een stap te dúrven zetten.”

Kamer kom terug van reces om financiering van de jeugdzorg te regelen!

Hoofdredactioneel commentaar – door Peter Paul J. Doodkorte

Kinderen en hun ouders ongeren nog steeds niet op één plek terecht voor zorg. Dat staat in de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg die minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin op 2 november aan de Tweede Kamer stuurde. In april 2010 stuurde demissionair minister Rouvoet de nota ‘Perspectief voor Jeugd en Gezin’ naar de Tweede Kamer. Dinsdag 18 mei presenteerde de parlementaire werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg haar rapport.

Zoveel beleidsdrukte in zo’n korte tijdspanne doet vermoeden dat er ernstige problemen zijn in de jeugdzorg. De conclusies die Kabinet en Kamer trekken bevestigen die indruk: een stelselwijziging is nodig! De voorzitter van de parlementaire werkgroep, Pierre Heijnen, spreekt in zijn voorwoord  (Jeugdzorg dichterbij Werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg

18 mei 2010)  van “de brede problematiek van de Jeugdzorg”.

Inmiddels zijn de verkiezingen achter de rug en is  de kabinetsformatie in volle gang. Maar de – volgens de politici zo noodzakelijke – hervorming van het stelsel van de jeugdzorg ligt stil. Is door Tweede kamer in oude samenstelling ‘controversieel’ verklaard en wacht dus op de totstandkoming van een nieuw kabinet. En dat laatste verbaast mij. Zeker, als ik dit afzet tegen het feit dat voor een (forse) ontslaggolf  bij MSD in Oss te Kamer van reces wordt teruggeroepen. Terwijl een kennelijk niet goed werkend systeem voor de jeugdzorg, waar jaarlijks zo’n 90.000 kinderen ( en hun ouders/opvoeders) gebruik maken gewooon ‘on hold’ wordt gezet.

Mijn verbazing wordt ook gestimuleerd door het door de parlementaire werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg gecreëerde beeld van een grote mate van overeenstemming over de richting waarin het jeugdzorgstelsel zich – op korte termijn – dient te ontwikkelen. Pierre Heijnen schrijft daarover “Ik ben trots op dit rapport. Want wat erin staat wordt gedeeld door parlementariërs van zeer uiteenlopende partijen: SP, GL, PvdA, CU, CDA, VVD en PVV. De overige (kleinste) fracties waren om begrijpelijke redenen niet in de gelegenheid ten volle aan dit intensieve werk deel te nemen. Ik ga er echter van uit dat ook bij deze fracties veel draagvlak bestaat voor dit rapport.”

Als die overeenstemming zo nadrukkelijk en dwars door alle politieke partijen heen gedeeld wordt, waarom is de besluitvorming daarover dan nog altijd controversieel verklaard? Kennelijk is er toch sprake van grotere meningsverschillen dan de parlementaire wekroep ons wil doen geloven. Een indruk die Ineke Dézentje Hamming-Bluemink (VVD), lid van de parlementaire werkgroep nog eens bevestigde door haar opmerkingen tijdens de 6e Dag van de Jeugdzorg (SBO, 16 juni 2010, Rotterdam). Samengevat gaf zij er duidelijk blijk van eigenlijk niets te zien in de door – inmiddels demissionaire – minister Rouvoet gestimuleerde ontwikkeling van Centra voor Jeugd en Gezin in alle gemeenten. Zij pleit nog net niet voor het afblazen ervan. En dat is geen ‘slip of the tongue’.   De VVD noemt de CJG’s niet in het verkiezingsprogramma, en politiek leider Rutte maakte eerder al duidelijk dat “het CJG nog wel wat verbeteringen zal moeten ondergaan.” Terwijl juist deze voor deze centra in het door het kabinet en de parlementaire werkgroep geschetste toekomst voor het stelsel van de jeugdzorg toch een prominente rol is weggelegd.

Maar er lijken meer fundamentele politiek bestuurlijke verschillen van inzicht. Want waar de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg zowel als de rapportage van de parlementaire werkgroep er nadrukkelijk voor pleiten de financiering van de jeugdzorg in één hand te leggen, lijkt juist dat perspectief onhaalbaar. Nu zijn er diverse financiers: de zorgkantoren (AWBZ) voor de jongeren in de licht verstandelijke gehandicapte sector en de geestelijke gezondheidszorg, Justitie voor de Justitiële jeugdinrichtingen en de provincies voor het jeugdzorgaanbod. We weten met zijn allen dat deze situatie geen recht doet aan de praktijk van alledag. Jongeren zijn niet altijd in een van deze hokjes te plaatsen. Ze verschuiven vaak van de ene sector naar de andere of hebben te maken met een meervoudige problematiek. Ik pleit er daarom voor om de financiering in één hand te leggen. Dat maakt de jeugdzorg krachtiger en is ook beter voor de kinderen en hun ouders/opvoeders.

Voor de goede orde: ik pleit niet voor een – al dan niet overhaaste – stelselwijziging in de jeugdzorg. De problemen worden niet opgelost door steeds te schuiven met verantwoordelijkheden, voorzieningen op te heffen of juist nieuwe instellingen in het leven te roepen. Wel moet er meer samenhang komen tussen de financiering en de verschillende initiatieven om de problemen aan te pakken en moet er een inhoudelijke visie op jeugdzorg uitgewerkt worden; van daaruit kan het stelsel ingericht worden. Laat het parlement daar (snel) meer werk maken. Liefst, door snel van reces te komen en dit te regelen. Daarmee is sneller en beter een betere jeugdzorg te bereiken dan het gratuit aanvallen van de jeugdzorg. Of, zoals Gert Ranter, gedeputeerde jeugdzorg in de provincie Overijssel het onlangs zei: “Bij elk incident wordt de jeugdzorg, terecht of onterecht, in de verdomhoek geplaatst. Vaak wordt er gesproken over het falen van de jeugdzorg, zonder het eindoordeel af te wachten.” Met Ranter ben ik ervan overtuigd dat het beeld dat in de ‘buitenwereld’ is ontstaan over de jeugdzorg, niet strookt met de realiteit. De resultaten die worden behaald met grote groepen van jeugdigen (en hun ouders/opvoeders) die een beroep doen op de jeugdzorg ondersteunen deze gedachte.

De Jeugdzorg moet en kan beter. Door terug te gaan naar de basis, maar met meer dan vroeger. De jeugdzorg vraagt daarbij om een financieringssysteem waarbij de zorg uitgaande van en per kind c.q. gezin wordt gefinancierd. Dat vergt eerst en vooral het loslaten van het politiek-bestuurlijke domeindenken. Juist dit domeindenken bevordert het door alle betrokkenen gewraakte  solisme en verhindert goede samenwerking.

Opzij, opzij, nog zoveel te doen, nog zoveel te doen…

Hoofdredactioneel commentaar – door Peter Paul J. Doodkorte

Opzij, opzij, opzij,
maak plaats, maak plaats, maak plaats, wij hebben ongelofelijke haast.
Opzij, opzij, opzij,
want wij zijn haast te laat, wij hebben maar een paar minuten tijd.
We moeten rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan.
We kunnen nu niet blijven, we kunnen nu niet langer blijven staan.

Eerder dit jaar verschenen vele adviezen en standpunten over de gewenste toekomstige inrichting van het stelsel voor de jeugdzorg. Twee daarvan zullen in de komende periode de politieke c.q. bestuurlijke discussie sterk bepalen:

  1. Perspectief voor Jeugd en Gezin (Minister voor Jeugd en Gezin en de minister van Justitie aan de Tweede Kamer d.d. 9 april 2010, kenmerk DJenG/SenS-2999069).
  2. Jeugdzorg dichterbij (Werkgroep Toekomstverkenningen Jeugdzorg, Den Haag, 18 mei 2010).

Maar met het bepalen van de ontwikkelingsrichting voor het stelsel zijn wij er nog niet. Als duidelijk is welk kader er gaat gelden voor de jeugdzorg, volgt de uitwerking in daarop afgestemde wet- en regelgeving en financiering. Maak de borst dus maar nat, want er is nog zoveel te doen voordat wij over een (beter?) passend stelsel voor jeugdzorg kunnen beschikken. Een paar discussie- of aandachtspunten ter illustratie vindt u onderstaand.

Het demissionaire kabinet Balkenende IV en de Parlementaire Werkgroep Toekomstverkenningen Jeugdzorg hebben elk hun visie gepresenteerd op de toekomst van de zorg voor jeugdigen. De beide visies komen tegemoet aan de reeds lang bestaande wens een meer samenhangend en eenvoudiger jeugdstelsel te vormen.

Het kabinet stelt onder meer dat inschakeling van gespecialiseerde zorg vanuit het CJG kan gebeuren. Of de toewijzing van de zorg terecht is, kan dan (zo nodig steekproefsgewijs) achteraf worden getoetst. Bovendien kan de indicatiestelling in het vrijwillige kader worden afgeschaft. Maar, met het afschaffen van de huidige bureaucratische werkwijze is de kwaliteit van de besluitvorming niet vanzelf geregeld. Afschaffing van de indicatiestelling vraagt dan ook  om accreditatie van de professionals die over de beslissing van zorgtoewijzing gaan.

Positie jeugd-ggz
Anders dan het kabinet kiest de parlementaire Werkgroep Toekomst Jeugdzorg expliciet voor één financieringsstelsel: de middelen voor zowel de provinciale jeugdzorg, als de jeugd-lvg en de jeugd-ggz gaan naar de gemeente. De vraag is welke koers het (nieuwe) kabinet zal varen. Gezien het pleidooi van vrijwel alle veldpartijen lijkt een bundeling van de financiering van de tweedelijnszorg onvermijdelijk. De vraag is alleen op welke schaal dat gerealiseerd moet worden.

Positie jeugdbescherming
In het kabinetsstandpunt wordt voorgesteld dat alleen de rechter (na onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming) een jeugdbescherming- en jeugdreclasseringmaatregel kan uitvaardigen. De uitvoering gebeurt door bureau jeugdzorg, onder verantwoordelijkheid van de gemeente. De functies van het AMK worden verdeeld over een nieuw te vormen organisatie en de Raad. Daarbij spelen ook de Veiligheidshuizen nog een rol. De parlementaire Werkgroep vindt dat degenen die hulp nodig hebben niet bang moeten zijn dat hun kind door de kinderbescherming ‘zomaar wordt weggehaald’. De werkgroep Toekomst Jeugdzorg vindt dat het gedwongen kader moet worden gescheiden van het vrijwillige kader. De discussie over het beleid inzake de positie van de jeugdbescherming hinkt dus op twee gedachten.

Positie onderwijs
Voor de samenwerking tussen het onderwijs en de jeugdzorg ontbreekt een integrale beleidsvisie. Dit leidt tot te weinig samenhang in het op orde brengen van de jeugdzorg en de zorg in en om de school. Wat we missen is een visie op hoe de veranderingen in het jeugdstelsel zich moeten verhouden met de ontwikkelingen in het kader van ‘Passend Onderwijs’. Een betere samenwerking tussen preventief jeugdbeleid, jeugdzorg en onderwijs is van cruciaal belang om het opgroeien en meedoen en eventuele problemen daarbij effectief en doelmatig aan te pakken. Dit vergt aandacht voor – in ieder geval – twee zaken:

  • Er moeten eisen worden gesteld aan de kerndoelen en kwaliteit van voorzieningen in het onderwijs en de kinderopvang
  • Op operationeel niveau is samenwerking nodig om een goede aansluiting tussen het jeugdbeleid, jeugdzorgbeleid en het beleid omtrent brede school en passend onderwijs tot stand te brengen.

Bestuurlijk kader
Het Kabinetsvoorstel maakt de gemeenten individueel verantwoordelijk voor de zorg voor jeugd. Tegelijk moeten ze voor de gespecialiseerde zorg verplicht samenwerken in GGD-regio’s. De parlementaire Werkgroep Toekomst Jeugdzorg li vindt dat preventie en vrijwillige jeugdzorg moeten worden georganiseerd door de gemeenten. Kleinere gemeenten zouden, vanwege het gebrek aan voldoende schaalgrootte voor (onder meer) de specialistische jeugdzorg samenwerkingsverbanden kunnen aangaan. Hoewel dit kansen biedt tot het voeren van een integraal beleid op het terrein van preventie, eerstelijns aanbod, tweedelijns jeugdzorg, nazorg, veiligheid en (passend) onderwijs, roept dit ook de vraag op, of gemeenten echt kunnen sturen op organisaties die vaak regionaal of bovenregionaal georganiseerd zijn. Daarnaast kun je je de vraag stellen, welk wettelijk kader voor dit alles zal gaan gelden: de Wet op de Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) of een nieuwe wet? En hoe gaan de beschikbare budgetten verdeeld worden? De huidige verdeelsleutel voor de jeugdzorg staat al langer ter discussie en het vinden van een nieuwe grondslag voor de financiering blijkt voor de betrokken partijen een Gordiaanse knoop.

Voor het benodigde integrale beleid en volume lijkt – ook volgens de VNG (bij nader inzien) het niveau van de (kleinere) individuele gemeente niet geschikt.

Er is dus nog veel te doen. Om te beginnen zullen wij moeten voorzien in een adequaat wettelijk en bestuurlijke kader. Dit is een noodzakelijke voorwaarde voor het vervolgtraject. Maar mag– gebaseerd op de gebleken overeenstemming op de inhoud – tegelijkertijd geen excuus zijn om dus noog maar even stil te blijven staan. Opzij dus, want we kunnen nu niet stil blijven staan.

Zin en Onzin van marktwerking

(Hoofdredactioneel commentaar – door Peter Paul J. Doodkorte)

Steeds vaker hoor ik de grootst mogelijke onzin over de verhouding tussen overheid en markt. Niet alleen in de (economische) wetenschap maar vooral ook in de (politieke) wereld van de beleidsmakers. Dat is des te tragischer naarmate er steeds weer en meer privatiserings- en marktwerkingoperaties worden ondernomen die tot problemen leiden.

Er zijn tal van adviezen uitgebracht en ideeën gelanceerd voor verbetering van het zorgstelsel. De vrees voor een ‘infarct’ van het zorgstelsel door de vergrijzing en explosieve stijging van de zorgkosten is terecht reden om het zorgstelsel en het functioneren daarvan kritisch tegen het licht te houden.

De zorg wordt bij de ombuigingsoperatie in de rijksfinanciën gezien als een belangrijke bron van bezuiniging. De discussie over de zorg gaat juist daardoor op dit moment met name over de kosten en de beheersing daarvan. Daarvoor wordt (opnieuw) marktwerking als dé oplossing genoemd.

Door deze eenzijdige focus op financiële sturing blijft meer fundamentele discussie over ingrepen in het stelsel –  bijvoorbeeld door andere ordening en procesverbetering – om zo een beter antwoord te geven op de veranderde zorgeconomie, blijft daarbij onderbelicht.

Of het nu gaat om marktwerking in het onderwijs, de sociale zekerheid of de gezondheidszorg, of het nu gaat om privatisering van de spoorwegen, gas, water en elektriciteit of om de verzelfstandiging van de Informatiebeheergroep en de Immigratie- en Naturalisatiedienst, en of het nu gaat om UMTS- en andere veilingen, cliëntgebonden budgetten of vouchersystemen, het is hard nodig om de zin van de onzin van marktwerking te onderscheiden.

Probleem daarbij is dat de werkelijkheid al lang niet meer kan worden gevangen met de modeleenvoud van slechts twee institutionele arrangementen, overheid óf markt. Degenen die dat wel mogelijk achten of er naar terug verlangen, zijn ongeneeslijke romantici. Zij willen terug naar een wereld die nooit heeft bestaan!

Nederlands beroemdste welvaartseconoom Pieter Hennipman zei het al in 1945 in zijn proefschrift ‘Economisch Motief en Economisch Principe’: er zijn geen economische doeleinden (ofwel: géén economisch motief), er zijn alleen economische middelen die schaars en alternatief aanwendbaar zijn (ofwel: wél economisch principe).

Maatschappelijke doelstellingen kunnen links of rechts zijn, liberaal of socialistisch, conservatief of progressief, maar altijd politiek bepaald. In het politieke proces worden zij democratisch vastgesteld en kunnen zij in een zogeheten ‘maatschappelijke welvaartsfunctie’ worden uitgedrukt. De daarin opgenomen parameters geven bijvoorbeeld de ruilvoet weer tussen de doelstellingen van allocatieve efficiëntie (maximalisatie van de collectieve welvaart) en van verdelende rechtvaardigheid (verdeling van de collectieve welvaart), die door politieke partijen en in het overheidsbeleid feitelijk wordt gehanteerd.

Om verbeteringen in het functioneren van de zorgsector door te voeren, wordt desondanks vaak marktwerking voorgesteld als dé oplossing. Dit moet bijdragen aan: efficiënte, innovatieve en flexibele zorgverlening. Eigenschappen die bij de huidige inrichting van de zorg nog onvoldoende zijn geborgd.

De vraag is of efficiënte en effectieve zorg  het meest c.q. het best gebaat is bij een sturingsmodel op basis van concurrentie. Zij vraagt juist samenwerking. Als organisaties gericht zijn op vergroting van hun marktaandeel, kiezen voor costleadership (zo goedkoop mogelijk, efficiënt) en er sprake is van hevige concurrentie, is samenwerking minder voor de hand liggend. Bovendien wil de cliënt (burger) kwalitatief goede, effectieve (en daarmee evidence of practice based) zorg.  Van de aanbieders van zorg wordt daarbij ondernemerschap verwacht, waarbij doelrealisatie van de geboden zorg centraal staat. Ondernemerschap betekent een klant(cliënt)gerichte manier van werken, waarin binnen de grenzen van wet- en regelgeving gezocht wordt naar een optimaal, pragmatisch, (vernieuwend) zorgaanbod dat de vraag van de client beantwoordt. De aanbieders dienen dus uitgedaagd om effectieve, efficiënte, innovatieve en flexibele zorgverlening te ontwikkelen en te leveren.’

De hamvraag is daarbij hoe wij publieke voorzieningen efficiënter en effectiever kunnen laten werken en hoe wij de zeggenschap erover weer terug kunnen geven aan de burgers, voor wie zij toch zijn bedoeld. Dat is ook waar het om hoort te draaien bij het ‘borgen van het publieke belang’ (naar het gelijknamige WRR-rapport uit 2000). Het probleem daarbij is dat er niet of nauwelijks wordt nagedacht over wat dat publiek belang nu eigenlijk ís.

Overheidsarrangementen en marktmechanismen, met alles wat daartussenin zit en in alle mogelijke combinaties, zijn vervolgens de technische instrumenten die uitsluitend moeten worden beoordeeld op hun consequenties voor de effectiviteit (werkt het?) en efficiëntie (tegen de minste kosten?), waarmee de doelstellingen worden gerealiseerd. Niet eventuele ideologische voorkeuren voor markt versus overheid dienen de keuze voor het optimale institutionele arrangement te bepalen, maar hun technische bijdrage aan het bereiken van de maatschappelijke welvaartsfunctie. In deze benadering is dus geen plaats voor blind marktfetisjisme en evenmin voor eenzijdig étatisme. Liberalen zouden alleen van de markt moeten houden voor zover die bijdraagt aan de maximalisatie van de maatschappelijke welvaartsfunctie. Socialisten zouden alleen van de overheid moeten houden voor zover die dat hetzelfde doet. Niet minder maar ook niet meer!

Hoe moet het dan verder?

Om te beginnen moet worden onderkend dat zowel marktwerking als overheidsvoorziening in de levering van goederen en diensten allebei kunnen falen. Dit is vooral afhankelijk van de technische kenmerken van aan de ene kant het productieproces en aan de andere kant de goederen en diensten waar het om gaat. Dat betekent dat van geval tot geval marktwerking en marktfalen (collectieve goederen, schaalvoordelen en natuurlijke monopolies, externe effecten, informatieasymmetrie), alsmede overheidsvoorziening en overheidsfalen (doelverschuiving, interne effecten, bureaucratische machtsposities en nieuwe ongelijkheden) moeten worden onderzocht.

Markt en overheid zijn institutionele arrangementen om maatschappelijke problemen op te lossen, niet minder maar zeker ook niet meer. Een sterke markt maakt de overheid niet overbodig, maar vereist juist een sterke overheid. Hier ligt nog een heel onderzoeksterrein braak. Aan het werk dus!

Dit commentaar is mede ontleend aan de bijdrage aan het JSV-Congres 2002 (“Overheid Verleden Tijd?”; april 2002) van Prof Dr J.G.A. van Mierlo, Hoogleraar Openbare Financiën, Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde Universiteit Maastricht.

Stop met het bestrijden van symptomen…

Hoofdredactioneel commentaar – door Peter Paul J. Doodkorte

Opvoeden gaat met vallen en opstaan. Kinderen zijn niet altijd even makkelijk. Liegen, spijbelen, een boze bui, niet willen eten, te laat thuis komen en niet naar bed gaan, horen allemaal tot het gedrag van opgroeiende kinderen. Maar wanneer dit soort alledaagse moeilijkheden langer aanhouden, spreken we van opvoedingsproblemen. Ouders zijn dan niet in staat om het gedrag van hun kind te corrigeren. Iedere ouder-kindrelatie kent wel een periode waarin opvoedingsproblemen aan de orde zijn.

Een opvoedingsprobleem is in de eerste plaats een probleem van de ouders. Zij willen iets bereiken dat niet lukt. Het kind ontwikkelt zich volgens hen niet goed, is ongehoorzaam, luistert niet… Als het ouderlijk gezag echt moeilijk te handhaven is, is het zeer frustrerend om steeds maar weer pogingen te doen het gedrag van het kind te veranderen.  Ouders voelen zich dan machteloos, onzeker, bezorgd en zelfs kwaad. Een oplossing komt steeds verder weg te staan. Het kind voelt zich zo onder druk gezet om het gedrag aan te passen, dat de kans dat het gedrag inderdaad verandert alleen maar kleiner wordt. 

Ontstaan 
Opvoedingsproblemen zijn voor een deel het gevolg van onze moderne leefwijze. Gezinnen zijn kleiner geworden en familieverbanden losser. Ouders hebben daarom minder kunnen oefenen in het opvoeden van kinderen en staan er vaker alleen voor. De samenleving is ook ingewikkelder geworden. Moderne ouders hebben eerder het gevoel dat ze tekortschieten, en zullen moeilijk gedrag dus sneller als een opvoedingsprobleem ervaren. 

Opvoedingsproblemen beginnen soms heel geleidelijk, maar soms ook heel abrupt. Denk maar aan het gedrag van een kind in de peutertijd en de puberteit. Een ontwikkelingsstoornis bij het kind, bijvoorbeeld hyperactiviteit, veroorzaakt zeker opvoedingsproblemen. 

In andere gevallen ontstaan problemen door botsende karakters van ouders en kind. Of door bepaalde vaste gewoontes in het gezin, die bij een kind kunnen gaan knellen. Kinderen worden soms in een rol geduwd, bijvoorbeeld door te zeggen dat ze behulpzaam zijn, slim of juist onhandig en niet willen deugen. Of ouders reageren alleen maar op negatief gedrag van de kinderen en niet op positief gedrag. Dergelijke benaderingen gaan een eigen leven leiden. 

In de jeugdzorg zijn er vier heel belangrijke vragen aan de orde.

  1. Wat zijn de oorzaken van opvoedings- en gedragsproblemen?
  2. Welke benadering in de hulpverlening heeft het meeste kans?
  3. Welke soort methodieken hebben blijvende effecten?
  4. Welke voorwaarden dragen bij tot een stabiel resultaat van hulpverlening?

Kindgebonden aanpak is symptoombestrijding
Jongeren en kinderen die een probleem hebben en die geholpen worden in de jeugdzorg hebben dus niet zelden niet zelf het probleem: zij vertonen gedrag dat in 70% tot 80% van de gevallen het gevolg is van een verstoorde omgeving, van ouders die een probleem hebben. In die zin is de nieuwe ‘kindgebonden aanpak’ symptoombestrijding.

Als je een kind als autist of ADHD’er bestempelt, dan wordt hij dat vanzelf. Laten we toch eens op zoek gaan naar de eigenheid van de kinderen van deze tijd. Onlangs had ik over de plaatsing van een jeugdige een gesprek met een directeur van een jeugdzorginstelling. Die zegt: “Ja, maar die jongen past niet in onze methode.” Dát is helaas onze werkelijkheid. Als wij meer zouden luisteren naar de natuurlijke, organische processen van ontwikkelingen, dan plegen we andere en betere interventies. Wij moeten in het belang van onze kleinkinderen leren over onze eigen tijdsgrenzen heen te kijken en ons telkens afvragen welke interventie een werkelijke bijdrage levert aan het creëren van zijn/haar ontwikkelingsperspectief.”

Eigen ontwikkelbehoefte
Sinds enige jaren zijn wij op zoek naar wat kind en ouders nodig hebben om voor dat kind een eigen ontwikkelingperspectief te creëren. Elk kind is een belofte. Daar moeten wij op inzetten. De afgelopen jaren hebben wij passend onderwijs én passende zorg met elkaar proberen te verbinden. Die verbinding is ontzettend belangrijk. Ouders moeten steeds hetzelfde verhaal vertellen, er zijn gescheiden budgetten, gescheiden juridische trajecten en veel belemmeringen. Daarnaast komt het dossier vaak bij dezelfde mensen langs alleen hebben ze dan een andere pet op. Dat is uitermate inefficiënt, stroperig en bureaucratisch.

Systeemdynamisch denken
In de verschillende ontwikkelingstrajecten bereiken we meestal consensus. Toch zie je dat op het moment dat het organisatiebelang in het geding komt, de besluitvorming al anders gaat klinken en dan wordt strategisch gedrag zichtbaar.

Wil je één loket vormgeven dan moet je in de doorontwikkeling rigoureus gaan ingrijpen in het systeem. Binnen het sociale kader is er heel veel overlap en veel grijs. Dat voedt het actie-, reactiedenken.

We pompen veel geld in jeugdzorg maar een duurzame interventie, waardoor het systeem zich anders zou kunnen gedragen en kinderen en jeugdigen echt een nieuw perspectief wordt geboden, blijft uit.

Bij symptoombestrijding, en dat doen we, ontstaat geen nieuw perspectief. Neem tijd voor reflectie. Zijn wij nog steeds dienstbaar aan wat wij moeten realiseren of is onze tijd voorbij? Kijk naar de lagen onder het symptoom en zoek naar de hefbomen om het systeem op een andere manier te beïnvloeden.

Een dynamisch systeem beweegt constant en kan niet op de plaats gehouden worden. Morgen gebeurt er weer iets en ontstaat een nieuwe werkelijkheid. Wij moeten leren meer op een filosofische, morele, ethische manier naar ontwikkelingsperspectieven voor kinderen te kijken. En ja, het is moeilijk om dat in andere vormen van dienstbaarheid zichtbaar te maken. Maar daar ligt wel onze opdracht. En het vraagt om het beschouwen van ouder en kind als volledig en volwaardig partner

Ouder én kind als volledig en volwaardig partner
Dat is nieuw. Vooral de professionals moeten in die setting oefenen om hun gedachten zichtbaar te maken en af te stemmen op de jeugdige of de ouder. Het  idee om samen met de belanghebbenden in het systeem om tafel te gaan zitten heeft bijvoorbeeld bij Plan+ (Overijssel) al heel veel opgeleverd. Maar het is even anders denken.

Cliëntenbeleid: Recht of echt?

Hoofdredactioneel commentaar – door Peter Paul J. Doodkorte

Het kabinet heeft zeven rechten geformuleerd om de positie van de cliënt in de zorg te versterken. Iedere cliënt moet zorg

krijgen die past bij wat hij of zij wil en bovendien moet hij of zij weten waar die zorg te vinden is. Ook moet de cliënt er op kunnen vertrouwen dat kwaliteit en veiligheid als hoogste prioriteit worden beschouwd.

Het recht op keuze en keuze-informatie is een van de maatregelen waarmee het kabinet de positie van de cliënten in de zorg wil versterken. Zij krijgen het recht om informatie over bijvoorbeeld wachttijden en kwaliteit van de zorg op te vragen bij zorgaanbieders. Goede, betrouwbare en vergelijkbare informatie maakt de keuze voor hen gemakkelijker en maakt dat zorgaanbieders zich meer richten op kwaliteit.

De andere zes rechten zijn:
het recht op beschikbare en bereikbare zorg
het recht op kwaliteit en veiligheid
het recht op informatie, toestemming, dossiervorming en privacy
het recht op afstemming tussen zorgverleners
het recht op een effectieve, laagdrempelige klacht- en geschillenbehandeling
het recht op medezeggenschap en goed bestuur.

Wat mij betreft zijn het allemaal goed bedoelde en eigenlijk ook vanzelfsprekende cliëntrechten. Jammeer dat daar zoveel wet- en regelgeving voor nodig is. Wat ik zorgelijker vind, is het feit dat geen van de rechten eigenlijk ingaat op waar het werkelijk om draait: recht op zorg die werkt! Hoe dat komt?

Ik denk dat de oorzaak ligt in het feit dat wij anno 2010 in een groot aantal zorg sectoren, waaronder die van de jeugd- en opvoedhulp, nog nauwelijks weten wat het effect van ons handelen is.  Eigenlijk weten we niet evidence based of dat wat we doen bijdraagt aan het beoogde resultaat. En als het werkt, weten wij vaak niet wat nu eigenlijk het echte werkzame bestandsdeel van de aanpak is.

Als jeugdigen en/of hun ouders/opvoeders professionals vragen naar het hoe en waarom, is de meest gangbare reactie dat ze gerust op hen kunnen vertrouwen, dat ze heel lang hebben gestudeerd, dat zij echt de enigen zijn die er verstand van hadden en dat het bij anderen ook helpt.. Maar steeds duidelijker wordt dat het effect, de outcome van hun handelen, lang niet altijd evident is. Dat de behandeling die ze op je loslaten vaak een calculated guess  is, een weldoordachte gok.

Zouden jeugdigen en hun ouders eerder en veel meer ingezet worden als volwaardige deelnemers aan de eigen behandeling, dan zou de bij hen aanwezige ervaringsdeskundigheid eerder benut worden en mede bepalend zijn voor het beleid. Dan zou ook eerder de dringende noodzaak gevoeld worden aan goede verantwoording, duidelijkheid over de te verwachten resultaten. Zo nemen wij hen serieus, kunnen en zullen zij eerder het gevoel hebben dat hun vraag serieus genomen wordt, dat zij met hun verhaal ergens naar toe kunnen.

De wetten en regels, waaronder de nieuwe Wet Cliëntenrechten Zorg (WCZ) en de Wet op de jeugdzorg (waarom geldt de wet cliëntenrechten zorg overigens niet integraal voor de jeugdzorg en is de ontwikkeling daarvan -  zoals mij vorige week bleek in een gesprek met medewerkers daarvan – bij het ministerie van Jeugd en Gezin zelfs nauwelijks tot niet bekend) omschrijven nauwkeurig waaraan instellingen wat betreft de klachtenregeling voor, medezeggenschap van cliënten, etc. moeten voldoen.

Het doel van het klachtrecht. Medezeggenschap en aanverwante artikelen is te trachten de onvrede weg te nemen, eventuele fouten te herstellen en op die manier bij te dragen aan het herstel van het vertrouwen van de jeugdige(n) en ouder(s) of opvoeder(s)  in de geboden ondersteuning of zorg. Naar mijn mening echter is hiervoor meer nodig dan het vaststellen of iets in overeenstemming is met de wet- en regelgeving en met het vaststaande beleid.

Ouders en jeugdigen gaat het vaak niet in de eerste plaats om de vraag of het optreden van zorgverleners al dan niet rechtmatig is. Meestal gaat het dan om een correcte bejegening of het op het juiste moment verstrekken van adequate en eerlijke informatie. Dit gaat verder dan de meer formele ‘hoorplicht’. Jeugdigen en hun ouders vinden het belangrijk dat er naar hen geluisterd wordt. Is dat niet zo, dan kan dat voor hem een reden zijn om een klacht in te dienen. En dan schieten zorgverleners en hun organisaties al weer gauw in een juridische oriëntatie: verloopt de klachtbehandeling volgens de regels? Deze juridische oriëntatie kan er makkelijk toe leiden dat het accent komt te liggen op het naleven van de regels, en minder op hetgeen de zorg of irritatie van de betrokken jeugdige of zijn ouder(s) zou kunnen wegnemen.

Samenvattend
Uit onderzoek blijkt dat er een direct verband is tussen hoe mensen worden behandeld en de waardering voor het eindresultaat dat ze krijgen. Het is te simpel om er vanuit te gaan dat mensen alleen tevreden zijn als ze gelijk krijgen. Voor veel mensen is het minstens zo belangrijk dat zij met respect worden bejegend, dat zij op zijn minst  aandachtig worden gehoord en dat zij erop kunnen vertrouwen dat in hun zaak een eerlijke, neutrale afweging wordt gemaakt. Dit vergt onder meer  het recht op aanvulling van het dossier als dit naar de mening van de persoon of personen die het betreft geen volledig of juist beeld geeft van de situatie. Het vraagt ook om een heroriëntatie op de vraag wiens eigendom het dossier eigenlijk is. De wetgever heeft bepaald dat dossiers eigendom zijn van hulpverlenende instellingen. Dat geldt wat mij betreft voor de persoonlijke werkaantekeningen van de hulpverlener, maar niet  voor het overige. 

Als de cliënt  ècht centraal staat, dan moet deze van begin tot einde betrokken moeten zijn bij zijn eigen behandelingsplan. Wie anders kan beter adviseren dan de jongeren en hun ouders/opvoeders zelf? Het samenspel tussen cliënt en hulpverlener kan pas echt klantgericht en klantvriendelijk worden wanneer de rol van de cliënt in het primaire proces zèlf is geborgd. Het gaat dan om bejegening en om waarheidsvinding. Dit vraagt om een toegewijde en correcte behandeling en om een aanpak die een jeugdige of zijn ouder of opvoeder begrijpt en kan volgen. Dat is niet zozeer een zaak van structuur of wet- en regelgeving, maar veeleer van cultuur, mentaliteit,  samenwerkingsgerichtheid en klantvriendelijkheid. Professionals en cliënten kunnen van elkaar leren en elkaar aanvullen. Ook in dat opzicht moet het cliëntbelang doorslaggevend zijn.

Page 5 of 6« First...«23456»

Categorieën