Het recht van de gelijke!

 Enige tijd geleden kwam het vraagstuk omtrent de jeugdrechtbanken aan de orde. Minister Teeven onderzoekt het voorstel van PvdA’er Marcouch of jongeren elkaar voor lichte vergrijpen zouden moeten kunnen berechten. Van belang hierbij is dat de rechtsprekende jongeren zich op deze wijze zullen distantiëren van hun criminele leeftijdgenoten en de criminele jongeren inzien dat hun gedrag ook binnen de eigen leeftijdsgroep onaanvaardbaar is.

De vraag die hierdoor bij mij is ontstaan, is de vraag in hoeverre men deze optie serieus zou moeten gaan invoeren. Immers kleven er naast de voordelen tevens enkele nadelige aspecten op. Uiteraard zal het feit dat criminele jongeren door hun eigen leeftijdgenoten worden beoordeeld en zodoende terecht worden gesteld, een positieve uitwerking hebben (leereffect, confrontatie), maar de vraag is of de voordelen opwegen tegen de nadelen.

Allereerst is het van belang om vast te stellen om welke vergrijpen het exact zal moeten gaan. Dienen het enkel en alleen lichte vergrijpen te betreffen of kunnen ook moeilijkere vraagstukken aan de orde komen en in hoeverre zullen de rechtsprekende jongeren, naast hun gewone opleiding, hiervoor worden opgeleid?

Dan het vraagstuk omtrent het gezaghebbende aspect. Een (kinder)rechter heeft als volwassene een bepaald soort uitwerking op jongeren. De vraag is of leeftijdgenoten dit ook zullen hebben of dat de criminele jongeren hen niet serieus zullen nemen, juist omdat ze dezelfde leeftijd hebben. Hierbij kan ook gedacht worden aan het feit dat de criminele jongeren misschien achteraf wraak willen nemen op hun rechtsprekende leeftijdgenoten. Immers zijn zij het geweest die hen ‘veroordeeld’ hebben.

Voorts het vraagstuk omtrent de gevolgen. Mag een rechtsprekende jongere bijvoorbeeld een taakstraf/werkstraf opleggen of dient dit te worden overgelaten aan een gezaghebbende autoriteit? Of zullen de rechtsprekende jongeren die autoriteit ook daadwerkelijk gaan bezitten?

Enig onderzoek naar bovengenoemde aspecten heeft reeds plaatsgevonden. Zo blijkt bijvoorbeeld dat de jeugdrechtbanken in Amerika al enkele jaren worden toegepast. Jongeren tussen de 14-18 jaar berechten criminele jongeren voor lichte vergrijpen en kunnen daarbij maatregelen opleggen zoals het schrijven van een excuusbrief of een taakstraf/werkstraf opleggen. Daarbij leggen de rechtsprekende jongeren hun criminele leeftijdgenoten geen strafblad op.

Ik ben zeker van mening dat het een zeer interessant onderwerp betreft en dat ook zeker nader onderzoek zou moeten plaatsvinden. Misschien dient daarbij tevens worden gekeken naar andere mogelijkheden, zoals een jongerenpanel of groepsbijeenkomsten/oefenrechtbanken op scholen. Hierbij kan een koppeling worden gemaakt naar het keuzevak op diverse universiteiten omtrent de oefenrechtbanken. Zodoende zouden diverse lastige vraagstukken tussen leeftijdgenoten kunnen worden aangepakt en bespreekbaar worden gemaakt alvorens het criminele feit zich heeft voorgedaan. Preventie in plaats van vergelding!

Een interessant vraagstuk waar zeker het laatste woord nog niet over is gerept.

Het recht op ‘bestaan’!

Als master studente aan de Uva kom je soms voor interessante juridische vraagstukken te staan. Momenteel volg ik het vak Familierecht in Moslimlanden en tijdens het college van afgelopen week werd het volgende aangehaald;

In het klassieke Islamitische recht hanteert men een patriarchaal uitgangspunt. Dit betekent dat een kind geboren dient te worden binnen het huwelijk en vooral een afstammingsrecht heeft ten opzichte van de vader. Alleen wanneer een kind binnen het huwelijk is geboren, heeft het recht op een achternaam (van de vader), op onderhoud en opvoeding en heeft het rechten ten behoeve van de erfenis. Voort wordt het kind niet gezien als bastaard.

Wanneer een kind buiten het huwelijk wordt geboren, zal het zodoende geen achternaam krijgen wat grote gevolgen met zich mee kan brengen. Wanneer een kind immers niet beschikt over een achternaam zal het kind geen identiteit hebben. Dit heeft tot gevolg dat het kind onder andere geen medische hulp kan krijgen en op geen enkele school zal worden toegelaten. Om deze nadelige gevolgen te voorkomen, paste men in het klassieke Islamitische recht soms trucjes (hiyal) toe. Voorheen was het immers niet noodzakelijk om een huwelijk te registreren. Zo kon men bijvoorbeeld de buren achteraf laten verklaren dat men op een bepaald tijdstip wel degelijk getrouwd was om zo aan te tonen dat het kind binnen het huwelijk is geboren.

Vandaag de dag wordt in veel Islamitische landen echter wel degelijk de eis van huwelijksregistratie gesteld, wat een trucje als bovengenoemde in de praktijk erg lastig maakt en wat betekent dat een kind, geboren buiten het huwelijk, zodoende zonder rechten kan komen te zitten.

De vraag die naar aanleiding van bovenstaande problematiek kan worden gesteld, is de vraag of bovenstaande niet in strijd is met belangrijke bepalingen uit het IVRK Verdrag. Op twee landen na, Somalië en de VS, is het IVRK door alle landen ondertekend en geratificeerd, wat betekent dat ook in veel Islamitische landen het IVRK rechtskracht heeft.

Het IVRK toont aan dat ieder kind bepaalde rechten heeft en dat bovenstaande problematiek niet zonder meer toelaatbaar is. Zo bepaalt artikel 8 IVRK bijvoorbeeld dat ieder kind recht heeft op zijn of haar identiteit. Hieronder valt het hebben van een nationaliteit en een naam alsmede het hebben van familierechtelijke betrekkingen.

Daarnaast stelt artikel 24 IVRK dat ieder kind recht heeft op de grootst mogelijke gezondheidszorg en op voorzieningen ter bescherming van een goede gezondheid.

Ook artikel 28 IVRK geeft een belangrijk recht weer, namelijk het recht dat ieder kind heeft op het volgen van onderwijs.

Tenslotte kan het centrale artikel 3 IVRK worden genoemd, waarin is bepaald dat het belang van het kind voortdurend de boventoon dient te voeren.

Wanneer men het IVRK uitvoerig bekijkt, zou men vast kunnen stellen dat ieder kind bepaalde basis rechten heeft en dat deze rechten niet zonder meer kunnen worden aangetast. Dit zou betekenen dat ook in Islamitische landen kinderen altijd aanspraak moeten kunnen maken op deze basis rechten, of er nou sprake is van een kind geboren binnen het huwelijk of buiten het huwelijk, en dat bovengenoemde problematiek zodoende in strijd is met het IVRK Verdrag,

Het geweten vertelt zijn eigen verhaal!

Door Marieke Lips

In 1922 is artikel 77b Sr ingevoerd. Vanaf dit jaar werd het mogelijk in geval van een ernstig strafbaar feit, gepleegd door minderjarigen in de leeftijd van 16 of 17 jaar, het volwassen strafrecht toepasbaar te verklaren waardoor de regels uit het jeugdstrafrecht komen te vervallen. De Minister is echter van mening dat men jongeren al op veel jongere leeftijd harder aan moet pakken.

De vraag is echter of dit hardere straffen wel haar beoogde effect zal hebben gezien de gewetensontwikkeling van minderjarigen.

Uit onderzoek is gebleken dat jongeren na hun 18e levensjaar nog niet volledig ontwikkeld zijn. Niet alleen op lichamelijk gebied, maar ook op cognitief niveau is de ontwikkeling nog niet voltooid. Pas na het 20e levensjaar zou men in gevaarlijke situaties daadwerkelijk rekening houden met de lange termijn effecten en pas na het 22e levensjaar zou het morele aspect en het begrip van normen en waarden geheel ontwikkeld zijn.

Zou men dan niet kunnen stellen dat minderjarigen beschikken over een gebrekkig geweten en eerder minder- of ontoerekeningsvatbaar kunnen worden verklaard?

Een goed functionerend geweten bestaat namelijk uit drie componenten: het cognitieve, conatieve en affectieve component.  Het cognitieve element behelst het inzicht in goed en kwaad. Het conatieve element omvat het motiverende aspect om iets te doen of na te laten en het affectieve component omvat het gevoel van empathie.

Een gebrekkig geweten mist dus één of meerdere componenten. Wanneer bij een minderjarige het cognitieve aspect niet aanwezig is, zal men aan kunnen nemen dat er sprake is van minder-toerekeningsvatbaarheid of ontoerekeningsvatbaarheid. De straf of maatregel dient dan gericht te zijn op het verschaffen van inzicht in goed en kwaad. Wanneer een minderjarige cognitief wel in staat is goed van kwaad te onderscheiden, maar het gevoelsmatige vermogen ontbreekt om vast te stellen wat een handeling met een ander zal doen, zal tevens de motivatie om iets te doen of na te laten uit respect voor anderen negatief beïnvloed worden. Ook hier zou men aan kunnen nemen dat de minderjarige beschikt over een gebrekkig geweten, een grondslag voor minder toerekeningsvatbaarheid. Ontoerekeningsvatbaarheid zal hier niet snel worden aangenomen, omdat de minderjarige in dit geval wel over het inzicht beschikt goed van kwaad te onderscheiden.

Er duiken vooral vraagstukken op wanneer zich een gebrek voordoet op het affectieve vlak. De vraag is, wanneer het affectieve component afwezig is, of dit aspect wel aangeleerd kan worden. Uit onderzoek is bijvoorbeeld gebleken dat wanneer er sprake is van een psychopathische stoornis het affectieve gevoel niet aangeleerd kan worden. De vraag is dan of artikel 77b Sr wel haar beoogde effect zal hebben. De minderjarige zal bij een gebrekkige affectieve ontwikkeling wel in staat zijn te begrijpen dat er sprake is van een zwaardere straf, maar zal het effect ervan intern niet kunnen voelen, de kans op recidive wordt zodoende dus niet uitgesloten.

Het is dus nog maar de vraag of de Minister met het harder straffen de heersende problematiek op kan lossen!

Categorieën