Filed under Jaargang 4 by marlouvanosch on 3 mei 2012 at 13:54
one comment
Bron: NJi
Speciale bijlage magazine INZET over Allemaal Opvoeders
Volgens hoogleraar pedagogiek Micha de Winter is opvoeden teveel een prestatie van individuele ouders geworden. Elk probleem ervaren ouders als persoonlijk falen. En dus zoekt men heil bij deskundigen. Terwijl iedere ouder met dezelfde vragen worstelt. Zijn oplossing: ga bij elkaar te rade. Want opvoeden zonder problemen bestaat niet. En de pedagoog? Die moet mensen meer zelf laten ontdekken. De Winter doet deze uitspraken in de speciale bijlage van het magazine INZET die geheel gewijd is aan het project Allemaal Opvoeders van het Nederlands Jeugdinstituut.
Project Allemaal Opvoeders
In 2010-2011 zijn in elf gemeenten door onder andere Centra voor Jeugd en Gezin pilots uitgevoerd in het kader van Allemaal Opvoeders, ondersteund door het Nederlands Jeugdinstituut en gevolgd met onderzoek vanuit de Universiteit Utrecht. Doel was ervaring op te doen met het versterken van de informele sociale steun rondom gezinnen. De pilots ondersteunen vrijwilligersactiviteiten en zorgen voor gelegenheden en plekken waar ouders, jongeren en buurtgenoten met elkaar in gesprek kunnen gaan over opvoeden en opgroeien.
Volgens De Winter is deze aanpak hard nodig want het huidige model van de jeugdzorg ontspoort aan alle kanten. ‘Problemen zitten veel minder vaak in het individuele kind, gezin of ouder dan we denken. De oorzaak voor al die problemen zit in de manier waar we met elkaar samenleven, waarop we de maatschappij vorm geven. Je kunt niet hulpverlener op hulpverlener blijven stapelen. Dus de overheid zal moeten investeren in alternatieven zoals Allemaal Opvoeders.’
Lezen en bestellen
De speciale bijlage ALLEMAAL OPVOEDERS en het bijbehorende magazine INZET zijn online te bekijken en gratis te bestellen via www.vrijwillige-inzet.nl/magazine, de website van het ZonMw-programma Vrijwillige Inzet voor en door jeugd en gezin. Het is via deze website ook mogelijk kosteloos grotere aantallen te bestellen om uit te delen tijdens congressen of andere activiteiten. Meer informatie over het project Allemaal Opvoeders is te vinden op de website www.nji.nl/allemaalopvoeders.
Filed under Jaargang 4 by marlouvanosch on 3 mei 2012 at 11:45
no comments
Bron: nieuwsbericht
APELDOORN – De actie van de Zorggroep Apeldoorn e.o. om jongeren te werven voor een bijbaan in een verpleeg- of verzorgingstehuis is nu al een doorslaand succes.
De actie heeft een ware stormloop ontketend.
De actie is nog maar net twee weken aan de gang. Nu hebben zich al meer dan 150 jongeren via de website www.helpenindezorg.nl gemeld. Circa vijftig zijn er nog nodig. ‘Zorg voor een ervaring rijker’ is de naam van de actie. Via de site kunnen jongeren van zestien en zeventien jaar zich aanmelden. Na een wat aarzelend begin de eerste dagen loopt het nu storm.
Bram Vunderink, bestuursvoorzitter van de Zorggroep: ,,Het is overweldigend te zien dat jonge mensen, niet alleen meisjes maar ook een groot aantal jongens, dit project zo positief oppakken. Ons doel is hen met de zorg te laten kennismaken. Zodat zij misschien geïnteresseerd raken in een opleiding of carrière in de zorg. Blijkbaar is dit een schot in de roos en staat de Apeldoornse jeugd echt open voor een bijzondere ervaring.” De jongeren die een bijbaan in hun vrije tijd aanvaarden, bijvoorbeeld in Casa Bonita, het Zonnehuis of Randerode, zullen geen echte zorgtaken op hun nek krijgen waarvoor je een vooropleiding dient te hebben. Die taken blijven voorbehouden aan het gekwalificeerd personeel. De jongeren helpen de bewoners van de tehuizen met eten, maken een praatje met hen en gaan bijvoorbeeld eens met hen naar buiten een wandeling maken. Het zijn soms de ‘extra dingen’ die er nu bij het vaak overbelaste vaste personeel bij in schieten. In totaal heeft de Zorggroep plaats voor ongeveer 200 scholieren.
Tijdens de open dag van zorg en welzijn op 17 maart wordt ook aandacht gevraagd voor het werken in deze sector.
Filed under Jaargang 4 by marlouvanosch on 1 mei 2012 at 18:12
no comments
Bron: Defence for Children
Caro van Eekelen, algemeen directeur van Accor Hotels Nederland ondertekende op 23 februari 2012 als eerste Nederlandse hotelketen de Child Protection Code, een gedragscode ter bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting in het toerisme. Hiermee bekrachtigt Accor Hotels Nederland de intentie om samen met ECPAT de strijd aan te binden tegen seksuele uitbuiting in het toerisme, en zo op te komen voor de rechten van het kind.
Accor Hotels is als internationale organisatie sinds 2001 lid van de Code en is sinds 2008 ook op bestuurlijk niveau vertegenwoordigd. “Accor’s positie van marktleider in de wereldwijde hotelmarkt schept een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid. De rechten van het kind nemen een centrale plaats in binnen het duurzaamheids-programma van Accor”, aldus Caro van Eekelen.
Naast Caro van Eekelen zette ook Celine Verheijen, van ECPAT Nederland, haar handtekening in Novotel Amsterdam City: “We zijn erg blij met de steun van Accor Hotels Nederland. Het tegengaan van seksuele uitbuiting van kinderen in het toerisme is een grote uitdaging. Samen met het internationale bedrijfsleven kunnen we het verschil maken.”
Organisaties die de Child Protection Code ondertekenen dragen actief bij aan het vergroten van de bewustwording over kindersekstoerisme en roepen op om meldingen te maken bij www.meldkindersekstoerisme.nl. Zij trainen hun personeel en informeren klanten en zakenpartners over de problematiek en bestrijden misstanden.
Over de Child Protection Code
De Child Protection Code is in 1998 opgericht door ECPAT Zweden, in samenwerking met Scandinavische touroperators en met ondersteuning van de United Nations World Tourism Organization (UNWTO). De Child Protection Code is een gedragscode die gedragen wordt door de sector zelf. The Code.org. is een zelfstandige organisatie met in het bestuur een meerderheid aan toeristische ondernemingen, zoals Accor. ECPAT fungeert als lokale aanspreekpartner. In meer dan 40 landen onderschrijven toeristische ondernemingen de Child Protection Code; van touroperators (Kuoni), vliegtuigmaatschappijen (Air France) en hotels (Accor), tot lokale agenten, restaurants en nachtclubs. Lees hier meer over de Child Protection Code.
Over Accor
Accor, ’s werelds toonaangevende hotelonderneming en marktleider in Europa is aanwezig in 90 landen met ruim 4.400 hotels en 530.000 kamers. Met een omvangrijke portfolio aan hotelmerken – Sofitel, Pullman, MGallery, Novotel, Suite Novotel, Mercure, Adagio, ibis, all seasons/ibis Styles, Etap Hotel/Formule1/ibis budget, hotelF1 en Motel 6 beschikt Accor over een breed aanbod van luxe tot budget. Met 145.000 medewerkers wereldwijd biedt Accor zijn klanten ruim 45 jaar kennis en ervaring.
In Nederland biedt Accor zijn gasten een brede keuze uit 38 hotels, van het luxe tot het budget segment: 1 Sofitel Legend – het prestigieuze Hotel The Grand Amsterdam, 1 Pullman hotel, 1 MGallery hotel – The Convent Hotel Amsterdam, 9 Novotel hotels, 12 Mercure hotels, 12 ibis hotels, 1 all seasons/ibis Styles hotel en 1 Etap Hotel/ibis budget.
Filed under Jaargang 4 by marlouvanosch on 1 mei 2012 at 16:39
no comments
Bron: Som, het magazine van de MOgroep, brancheorganisatie voor Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening, auteur: Jens Middel
Het huidige jeugdzorgstelsel? ‘Te inefficiënt, te bureaucratisch, te onoverzichtelijk voor cliënten, te frustrerend voor professionals en veel te duur.’ Dat vindt Erik Dannenberg, VNG-bestuurslid en wethouder in Zwolle en tevens voorzitter van de VNG subcommissie Transitie Jeugdzorg . In een interview met het magazine van de MO-groep geeft Dannenberg zijn visie op de transitie van de jeugdzorg.
Enkele citaten uit het interview:
‘De zorgkant van het stelsel is nu nog te veel gericht op het individu en op specifieke problemen. Voor de samenhang tussen iemands moeilijkheden of zijn sociale context is in dit ‘medisch model’ nauwelijks oog. De welzijnskant, daarentegen, is weer zó collectief dat vaagheid troef is. Die verwijst te snel door naar de zorgkant.’
‘Een stappenplan van staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten laat nog op zich wachten. Ik vermoed dat men moeite heeft de jeugdzorg scherp in kaart te brengen. En ik kan mij dat voorstellen. De financiering is versnipperd over drie overheidslagen, verzekeraars en zorgkantoren. Daarbinnen zijn er talloze deelbudgetten. Vanuit de VNG willen we helpen deze complexiteit te doorgronden en doen we voorstellen voor vereenvoudiging’.
‘Elk huishouden met problemen moet een generalistische professional toegewezen krijgen. Iemand die vast aanspreekpunt blijft, met het gezin bespreekt wat nodig is en er indien noodzakelijk specialisten bíj haalt. Iemand die ‘doorverwijzen’ dus uit zijn vocabulaire heeft geschrapt. Deze generalist moet financiële sturing krijgen over die specialisten’.
’Gemeenten zouden meer vrijheid en vertrouwen moeten geven aan hulpverlenende organisaties. Hun professionals moeten in overleg met cliënten kunnen bepalen wat er in een huishouden nodig is’.
(Jeugd)zorgteams op het snijvlak van zorg, welzijn en wonen zijn er vaak ondanks het systeem. Terwijl ze juist structureel aangemoedigd moeten worden’.
‘Dat een wethouder een nieuw jeugdzorgstelsel wil, is niet genoeg. Verandering komt alleen goed van de grond als er voldoende draagvlak voor is.’
Filed under Jaargang 4 by marlouvanosch on 1 mei 2012 at 16:37
no comments
Bron: RD
AMSTERDAM – Waarom mishandelt een ouder zijn kind? Dat is een vraag die dr. Lenneke Alink fascineert. Meer onderzoek hiernaar heeft de psychologe hoog op haar verlanglijst staan. Donderdag gaat ze als bijzonder hoogleraar kindermishandeling aan de slag.
Mishandeling en verwaarlozing van kinderen heeft al jaren de aandacht van Alink. Ze is hoofd van het onderzoekscluster kindermishandeling op de afdeling algemene en gezinspedagogiek van de Universiteit Leiden. Vanaf morgen combineert ze die functie met een deeltijdbaan aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam, waar ze de nieuwe leerstoel ”Voorkomen, gevolgen en aanpak van kindermishandeling” bekleedt.
„In Nederland wordt weinig goed wetenschappelijk onderzoek gedaan op het gebied van kindermishandeling”, zegt Alink. „Zeker binnen de pedagogiek zou het een centraal thema moeten zijn. Daarom hebben we in Leiden een onderzoekscluster op dit terrein opgezet, dat nu wordt uitgebreid naar de VU. Wat mij onder andere fascineert is waarom sommige ouders hun kinderen mishandelen. Daarover weten we nog weinig.”
Wat is er wél bekend over de reden van kindermishandeling?
„Het gaat meestal om een samenspel van factoren. Ouders wíllen hun kinderen meestal wel goed opvoeden, maar om allerlei redenen lukt het niet. Het is vaak geen onwil, maar onvermogen. Gelukkig is er een groep ouders die openstaat voor hulp en extra begeleiding. Het gaat dan bijvoorbeeld om het leren herkennen van en reageren op signalen van het kind. Denk ook aan het beter omgaan met stress die een kind bij ouders oproept. Als ze er niet in slagen die goed te hanteren, kan dat leiden tot mishandeling of verwaarlozing.”
Wat zijn de belangrijkste risicogroepen?
„Uit onderzoek blijkt dat de kans op mishandeling relatief groot is bij laag opgeleide en werkloze ouders. Vooral een combinatie van deze factoren, waarbij de omgeving weinig steun biedt, verhoogt het risico. Een andere risicofactor is dat ouders zelf als kind mishandeld zijn. Al is het ook van belang om te zeggen dat het bij die categorie gelukkig vaker goed gaat dan fout. En dat lichamelijk en psychisch geweld en verwaarlozing eveneens buiten de genoemde groepen plaatsheeft. Het is doorgaans moeilijk te voorspellen in welk gezin het mis gaat.”
Hoe ver strekken de gevolgen van mishandeling?
„De gevolgen kunnen zeer groot zijn. We weten bijvoorbeeld dat slachtoffers een groter risico lopen op verschillende vormen van psychische ziekten zoals depressie en angst, maar ook op antisociaal gedrag.”
U richt zich op voorkomen, gevolgen en aanpak. Waar ligt de focus?
„Belangrijk vind ik vooral het voorkomen van kindermishandeling. Er zijn in Nederland weinig preventiemethoden waarvan het effect is gemeten. Het is van belang om te weten welke aanpak werkt zodat die gericht kan worden ingezet. Een van de weinige onderzochte werkwijzen hebben we in Leiden ontwikkeld. Daarbij wordt de interactie tussen ouder en kind gefilmd. Een hulpverlener bespreekt de beelden met de opvoeders, zodat ze beter zicht krijgen op de manier waarop ze reageren en welk effect dat heeft op hun kind.”
Wat is nodig om kindermishandeling vroegtijdig te signaleren en aan te pakken?
„Allereerst dat er bij mensen die met kinderen werken voldoende kennis is over signalen. Leids onderzoek heeft aangetoond dat professionals in de afgelopen jaren beter zijn geworden in het signaleren van verschillende vormen van kindermishandeling, maar er is meer nodig. Om het probleem goed te kunnen aanpakken hebben we preventieve methoden nodig waarvan we weten dat ze werken.”
Hoe kunnen ouders in de gevarenzone vroeg genoeg worden bereikt?
„We moeten ons niet blindstaren op specifieke risicogroepen, maar ons richten op bredere inzet van opvoedingsondersteuning. In sommige landen gebeurt dat al. Het zou goed zijn erover na te denken in welke vorm we zoiets in Nederland kunnen organiseren.
Als je alle ouders opvoedingsondersteuning biedt, heb je meer mogelijkheden om degenen die extra hulp nodig hebben eruit te pikken. Intussen zitten opvoeders die een cursus volgen niet bij voorbaat in het verdachtenbankje.”
Welke rol ziet u op preventiegebied weggelegd voor kerken?
„Ik denk dat kerken in veel gevallen een grote rol kunnen spelen in het signaleren van problemen en het bieden van steun. Uit onderzoek weten we hoe belangrijk het is om hulp vanuit de omgeving te hebben, zeker als een gezin met veel problemen te maken krijgt.”
Filed under Jaargang 4 by marlouvanosch on 1 mei 2012 at 16:31
no comments
Bron: Movisie
Met een terugtrekkende overheid komt steeds meer druk te liggen op het vrijwilligersveld. Evidence based werken sluit aan bij de roep om kwaliteitsverbetering van het werk van professionals in welzijnsorganisaties. Kunnen we dit nu doortrekken naar vrijwilligersorganisaties? En zo ja, welke aanpak zou dan passend zijn? Wat betekent dat voor de (professionele) ondersteuning van vrijwilligers? Lees het in het essay ‘Op zoek naar het levende bewijs’.
Beleidsmakers, professionals en vrijwilligers worden met het essay uitgenodigd om van gedachten te wisselen over uitgangspunten, draagvlak en toepassingsmogelijkheden van evidence based werken in de vrijwillige sector. Het essay biedt informatie, visies en praktijkvoorbeelden.
Verlangen vrijwilligers voorop
De auteurs, Kees Penninx van ActivAge en Renske van der Zwet van MOVISIE, geven aan hoe je vrijwilligers bij evidence based werken kunt betrekken. Dit resulteert in een visie op evidence based werken en vijf concrete aanbevelingen voor de vrijwillige sector. Belangrijkste conclusie? Niet het verlangen van financiers naar beheersing en controle, noch het verlangen van wetenschappers naar bewijsvoering moet voorop staan. Juist het verlangen van vrijwilligers zelf en hun begeleiders om ‘het goede werk te doen’ en om dat werk goed te doen horen het uitgangspunt te zijn. Als dat het geval is, toont het essay aan, kan evidence based werken een cruciale bijdrage leveren aan het welzijn van zowel de cliënt als dat van de vrijwilliger. Bovendien brengt het de organisatie in een boeiende nieuwe ontwikkelingsfase, die past bij de huidige tijd.
Beter in Meedoen
Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van het onderzoeksprogramma ‘Inzicht in sociale interventies’, een onderdeel van het project Effectieve sociale interventies. Dit project valt onder het programma Beter in Meedoen van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Meer weten?
De publicatie kunt u gratis downloaden of bestellen via www.movisie.nl/publicaties. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Renske van der Zwet.
Filed under Jaargang 4 by marlouvanosch on 1 mei 2012 at 15:44
no comments
Bron: Verwey-Jonker Instituut 
Sociale minima hebben baat bij een aanpak op maat. Dat blijkt uit evaluatieonderzoek van het Verwey-Jonker Instituut van de Samen Tegen Armoede-teams in Roosendaal.
Tevreden
STA-teams bestaan uit voormalig bijstandsgerechtigden die minima bezoeken om ze sociaal te activeren en deel te laten nemen aan de maatschappij. Ook proberen ze minima gebruik te laten maken van nog niet-gebruikte sociale voorzieningen. Opvallend is dat een groot deel van de bezochte huishoudens bestond uit arbeidsongeschikten of werkende armen. De helft van de geholpen huishoudens is van Nederlandse afkomst, de andere helft heeft een andere etnische achtergrond. Beide groepen waren tevreden over de behandeling door de STA-teams. Onderzoeker Marian van der Klein legt uit waarom de aanpak succesvol is.
U heeft het armoedebeleid geëvalueerd. Dat gebeurt anders nauwelijks, schrijft u. Waarom niet?
‘Dat heeft te maken met de politieke adem. Interventies hangen van de wethouder af en die hebben te maken met een vierjarentraject. Onderzoek kost geld en men denkt dat dit dan beter naar armoedebestrijding zelf kan, maar het is natuurlijk zinvol om te weten of het beleid effectief is. Vaak zijn enthousiaste verhalen voor wethouders genoeg. Die zijn altijd te vinden en komen dan in plaats van systematisch onderzoek.’
U heeft systematisch onderzoek gedaan door alle huishoudens van minima evaluatieformulieren te sturen. De conclusie is dat sociale minima baat hebben bij een aanpak op maat?
‘Ja, de persoonlijke aanpak helpt, dwang niet. Je moet ze uitnodigen tot het ontvangen van hulp en dan kun je de draadjes uitbouwen. Bij de ene groep gaat dit gemakkelijker dan bij de andere. Bijstandsmoeders zijn een dankbare groep. Die hebben net dat kleine zetje nodig om te gaan sporten, meer vrije tijd voor zichzelf te creëren of sport voor de kinderen te regelen. Het armoedeteam helpt bijvoorbeeld met contacten leggen in de straat om oppas te regelen. Ze proberen verbanden te leggen. Geld is een probleem voor deze groep, maar niet het enige probleem.’
De teams werden van april 2009 tot januari 2011 in vijf wijken ingezet. Hoe ging dat in zijn werk?
‘In de teams zaten mensen die minimadeskundig zijn. Er zaten Turkssprekende mensen tussen, maar ook Afrikanen en echte autochtone Roosendalers. Ze gingen eerst de arme wijken in, waar ze een hele straat doorliepen met folders met teksten als: houdt u ook te weinig geld over aan het eind van de maand? Daarbij lag het verzoek om een gesprek over activering. Mensen konden bellen en de coördinator belt dan terug. Die huis-aan-huis-aanpak leverde het meest op.’
In het onderzoek staat dat 440 huishoudens per jaar zijn bereikt. In twee jaar zijn dat er dus 880?
‘Nee, er zijn dubbelingen, dus ongeveer 500 a 600. Voor een derde van de groep is een participatieplan gemaakt en tweederde daarvan heeft een stap gezet naar een actiever leven.’
Is dat succesvol?
‘De norm van de gemeente was dat 30 tot 50 procent van de gemaakte participatieplannen een toename in de sociale activering van minima in Roosendaal zou moeten hebben. Het was geen eis, maar wel de hoop. Je hebt natuurlijk ook te maken met een grote groep chronisch zieken en ouderen die minder mogelijkheden hebben of minder gemotiveerd zijn. Bij mannen werkte de aanpak overigens minder goed dan bij vrouwen. Vrouwen hebben vaak kinderen thuis en willen niet dat die de dupe worden van armoede. Mannen zijn vaker alleenstaand en accepteren misschien minder snel hulp.’
Volgens wethouder Kees Jongmans van de gemeente Roosendaal zijn de lessen bruikbaar voor verdere uitvoering van het minimabeleid en vooral bij de implementatie van de wet Werken naar vermogen. Wat waren die lessen?
‘Een van de lessen is dat het project werd uitgevoerd door bijstandsgerechtigden die daarmee een nieuwe baan hadden tegen het minimumloon. Daar wilde de gemeente uit bezuinigingsoverwegingen niet mee verder. Ze wilden af van de constructie met de Sociale Dienst en gingen over op vrijwilligers. Dat was minder succesvol. Nu begrijp ik van de wethouder dat hij het bij welzijn wil leggen, maar dan welzijn nieuwe stijl, dus gericht op mensen die nu niet naar buurthuizen gaan. De aanpak met STA-teams zorgde nauwelijks voor uitstroom uit de bijstand, maar maakte burgers wel gelukkiger. Ook de ex-bijstandsgerechtigden in de STA-teams knappen ervan op. Ze kunnen anderen helpen en trots op zichzelf zijn.’
Filed under Jaargang 4 by marlouvanosch on 1 mei 2012 at 15:00
no comments
Bron: www.samenwerkenvoordejeugd.nl
Met de overheveling van alle zorg voor jeugd naar gemeenten verandert er ook voor de zorgaanbieders het nodige. Wat vinden zorgaanbieders van de aankomende decentralisatie? Hoe bereiden zorgaanbieders zich voor? En waar staan zij op dit moment in het transitieproces? Mariënne Verhoef, bestuurder van Spirit, organisatie voor Jeugd- en Opvoedhulp in stadsregio Amsterdam, vertelt.
‘Per 1 januari 2012 organiseert Spirit de hulp aan kinderen en ouders anders. Zij krijgen te maken met één vaste hulpverlener, de jeugdmaatschappelijk werker, die gedurende de zorg van Spirit het vertrouwde gezicht voor het gezin is.’ Zo staat op de website te lezen. Mariënne Verhoef, sinds eind 2006 als bestuurder bij Spirit actief, onderschrijft de aangekondigde nieuwe werkwijze volledig. “Eigenlijk werkt Spirit al langer op deze manier: één cliënt-één gezin-één(hulpverlenings)plan-één hulpverlener.”
Gezinsgerichte hulp
Verhoef: “Wij geloven in de eigen kracht van mensen en bieden al lange tijd gezinsgerichte hulp. Bij mensen thuis. Als het écht nodig is, zetten we hulp in van collega-organisaties. In de psychiatrie, LVG, schuldhulpverlening, onderwijs en kinderopvang. Spirit streeft naar continuïteit en kwaliteit van zorg, daar waar de cliënt is, in aansluiting op het aanbod van collega’s. Die beweging waren we al aan het maken. En die werkwijze blijkt nu heel goed te passen in de transitie naar een nieuw stelsel.”
Wat niet betekent dat Spirit al klaar is met de voorbereidingen op de transitie. “Integendeel. Wij zijn een innovatieve organisatie. Dat zou ook een goede tip kunnen zijn richting andere zorgaanbieders. Houd je oren en ogen open wat betreft ontwikkelingen rond de zorg voor jeugd. Wij houden publicaties in de media in de gaten en ontwikkelen plannen samen met collega-organisaties. Bovendien is er veel ruimte voor eigen inbreng van onze medewerkers. Zij werken in de praktijk en dragen soms de beste ideeën aan.”
Innovatieve organisatie
Dat Spirit innovatief is, blijkt uit tal van (pilot)projecten die de organisatie nu en op korte termijn ontwikkelt. ‘Buurtgericht werken’ is een pilot die in 2011 in enkele wijken begon en dit jaar wordt toegepast binnen de hele organisatie. “We waren dus al gericht op zorg aanbieden in de buurt. Dat sluit goed aan op de stelselwijziging. Alle teams zijn opnieuw ingericht. Per wijk zitten alle ambulante hulpverleners in één team. Goed om te zien is dat, doordat ze moeten samenwerken, zij ook zelf die samenwerking gaan zoeken. Het gezin in de wijk krijgt te maken met één hulpverlener: de jeugdmaatschappelijk werker (JMW’er). Die biedt zelf zorg of coördineert wanneer divers zorgaanbod nodig is. Dan roept de JMW’er ofwel hulp in van collega-professionals via Spirit Training & Therapie, ofwel via een andere instelling. Zelf het wiel uitvinden, is niet ons doel. Samenwerken wel.”
Ondernemende teams
Net als innovatief blijven opereren. Spirit bereidt zich ook middels andere pilots voor op de transitie. Zo wordt er gewerkt aan ‘ondernemende teams’, wat inhoudt dat professionals zelf veel verantwoordelijkheid krijgen om te zorgen dat het zorgaanbod in hun wijk optimaal is afgestemd op de vraag. “Het is nog zoeken naar het optimum”, zegt Verhoef. “De ene wijk is de andere niet. Welke schaalgrootte houd je aan, hoeveel professionals zet je in op hoeveel inwoners? Welke deskundigheid is gewenst? Kies je voor differentiatie in het aanbod? Iemand voor pleegzorg, voor het jonge kind, voor de puber? Of moeten we meer generalistisch handelen? De tijd zal het leren, die kennis moeten we nog ontwikkelen.”
Forensische pleegzorg
Andere pilot projecten zijn ‘forensische pleegzorg’ en ‘contactpersonen’. Over ‘forensische pleegzorg’ is ook het ministerie van VenJ enthousiast. Een goed behandelklimaat kán een jongere helpen die in een jeugdgevangenis is beland. Feit blijft dat het contact met criminele jongeren in de instelling negatieve effecten geeft. Spirit wil daarom gaan werken met ‘forensische pleeggezinnen’, speciaal opgeleid om zo’n jongere tijdens zijn (geïndiceerde) behandeling tijdelijk op te vangen. Het project ‘contactpersonen’ draait om het toevoegen van (vrijwillige) contactpersonen aan gezinnen of mensen die zelf geen persoonlijke kring om zich heen hebben.
Hoewel alle projecten op papier potentie hebben, blijkt de praktijk soms weerbarstig. De JMW’ers zijn inmiddels per wijk gegroepeerd, maar soms hebben zij nog cliëntenbestanden die de wijkgrenzen overstijgen. Zij kunnen de zorg aan hun huidige cliënten (in andere wijken) niet ineens staken. Verhoef: “Die verschuiving heeft nog niet overal volledig plaatsgevonden, dat is waar. Maar dat is een kwestie van tijd en gaandeweg leren. Zoals we met z’n allen de transitie in moeten gaan.”
Zorg met perspectief
Spirit ziet de overgangsperiode én de stelselwijziging met vertrouwen tegemoet. “Het stelsel rond de zorg voor jeugd is tot een administratieve warboel gemaakt. Heel erg ingewikkeld. Het zou goed zijn hierin eenvoud te brengen. Eén wettelijk kader en één financieringsstroom. Voor ons als zorgaanbieder biedt dit mogelijkheden om in het nieuwe stelsel effectiever en efficiënter te gaan opereren. Effectief in de zin dat gezinnen de zorg krijgen die nodig is. Zorg met perspectief. Op het behalen van een diploma. Of perspectief op het succesvol opvoeden van kinderen. Efficiënt wil zeggen dat we met minder geld voor elkaar moeten krijgen dat de wachtlijsten slinken. Door andere keuzes te maken in het zorgaanbod dan voorheen: preventief handelen in risicogezinnen en tijdig inschakelen van zware zorg zodra die nodig is.”
In gesprek gaan en blijven
Ondersteuning vanuit het Rijk ziet Spirit als een welkome aansporing richting de transitie. Vooral in de vorm van werkbezoeken. “Voor ons is de stelselwijziging geslaagd als de nieuwe wettelijke en financiële kaders naadloos aansluiten op de praktijk. Dat kan alleen als het Rijk goed weet wat er speelt en dus die info gaat halen. Anderzijds kunnen organisaties en instellingen ook zelf actief de boer op. Spirit gaat veel in gesprek met de gemeenten in onze regio. Er zijn grote verschillen in hoe gemeenten straks invulling willen geven aan het nieuwe stelsel. De een wil het helemaal zelf opnieuw inrichten, voor ons is het lastig om daarop aan te sluiten. De ander zoekt juist de samenwerking. En weer andere gemeenten zijn nog bezig hun eigen zorgvraag te formuleren. De enige manier om hiermee om te gaan, is in gesprek te gaan. En te blijven. Op allerlei manieren. Via vaste overlegstructuren, maar ook ad hoc werkbezoeken. Wij nodigen wethouders uit, maar ook beleidsambtenaren en (lokale) politici. Het gaat niet om samenwerking tussen organisaties. De stelselwijziging draait om samenwerking tussen mensen.
Voor meer informatie over buurtgericht werken, forensische pleegzorg of algemene informatie over Spirit, kunt u contact opnemen met Mariënne Verhoef, tel: 020-5400550.
Zie ook: www.spirit.nl
Filed under Jaargang 4 by christinebos on 31 maart 2012 at 17:01
no comments
Bron: NJi
Het Nederlands Jeugdinstituut heeft, samen met de drie beroepsverenigingen NIP, NVO en NVMW, de website www.richtlijnenjeugdzorg.nl gelanceerd. De website is voor professionals in de jeugdzorg en geeft de komende jaren gerichte informatie over de ontwikkeling en de invoering van de richtlijnen in de jeugdzorg. Op de website vinden de professionals alle achtergronden van de richtlijnen; nieuwsfeiten en ervaringen van collega’s. Doordat het proces van ontwikkeling en invoering dynamisch is, is de site bij uitstek de plek om op de hoogte te blijven van de meest recente informatie.
Ontwikkeling van dertien richtlijnen
De komende vijf jaar worden dertien richtlijnen voor de jeugdzorg ontwikkeld. De Richtlijnen jeugdzorg worden ontwikkeld op initiatief van de drie beroepsverenigingen van psychologen (NIP), (ortho)pedagogen (NVO) en maatschappelijk werkers (NVMW). Richtlijnen ondersteunen beroepskrachten bij afwegingen die zij dagelijks in hun werk maken. In de richtlijnen staan aanbevelingen over het handelen in bepaalde situaties of ten opzichte van bepaalde doelgroepen.
Moeilijke afweging
De aandacht gaat vooral uit naar die onderwerpen en die handelingen van jeugdzorgprofessionals waarbij moeilijke afwegingen gemaakt moeten worden. Richtlijnen kunnen bijvoorbeeld gaan over uithuisplaatsing en pleegzorg, maar ook over kinderen met hechtingsproblemen of autisme. Ze zijn gebaseerd op wetenschappelijk bewijs, professionele expertise en de behoefte van cliënten.
De organisatorische uitvoering van het programma is in handen van het Nederlands Jeugdinstituut. Het programma wordt gesubsidieerd door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Bekijk de nieuwe website: www.richtlijnenjeugdzorg.nl/
Filed under Jaargang 4 by christinebos on 25 maart 2012 at 19:30
no comments
Bron: vCJG
De subsidieaanvraag voor het project ‘Ouders voor Elkaar’ is onlangs door ZonMW gehonoreerd. Dit project heeft tot doel om voor CJG’s lokale online steunnetwerken te bouwen. Binnen het landelijk forum van Ouders Online zal een keuzemogelijkheid worden gecreëerd dat ouders (via hun postcode) andere ouders uit de eigen gemeente online kunnen opzoeken. De discussies tussen mensen uit de eigen gemeente wordt in de CJG-website getoond. Bij een (te) gering aantal lokale discussies wordt het forum automatisch aangevuld met discussies die niet lokaal van aard zijn, zodat in de CJG-website het forum altijd levendig en goed gevuld is. Vijf gemeenten doen mee aan de pilot: Gulpen-Wittem (CJG Heuvelland), Steenwijkerland, Etten-Leur/Zundert, Geldrop-Mierlo en Leiden. Andere gemeenten kunnen na de testfase aansluiten. Dit project is een initiatief van Ouders Online, Kuseema en Spectrum CMO Gelderland. Deze partners werken in het kader van “Ouders voor Elkaar’ onder andere samen met Stichting vCJG, Stichting Opvoeden.nl en Family Factory.
Dit project bouwt voort op de huidige koppeling van CJG-websites met het Ouders Online forum. Diverse vCJG’s hebben deze koppeling gerealiseerd. Zie bijvoorbeeld CJG Heuvelland en CJG Cranendonck. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om een eigen forum op te zetten, maar dit is een behoorlijke investering. Bovendien zijn voor een succesvol levendig forum veel bezoekers nodig die er op lokaal niveau meestal niet zijn. Via RSS-Feeds zien ouders op de vCJG-homepage en de rubrieken (van kinderwens tot jongvolwassene) bijpassende topics van Ouders Online. Ouders die daar op klikken, kunnen berichten lezen en via het forum vragen voorleggen aan ouders en meningen uitwisselen.
Meer informatie? Neem contact op met Ouders Online, Justine Pardoen: 020 676 26 38, justine@ouders.nl
Page 1 of 28912345»102030...Last »
Recente reacties