Nieuwe Centra voor Jeugd en Gezin

Bron: Ministerie van VWS

De afgelopen week hebben heel wat nieuwe gemeenten een Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) geopend. Hierbij valt het enthousiasme van wethouders, CJG coördinatoren en kernpartners op. Iedere gemeente is van plan om met het CJG belangrijke verbeteringen in te voeren. In de hulpverlening aan ouders en gezinnen, maar ook in de onderlinge samenwerking achter de schermen.

In Tynaarlo is het CJG nadrukkelijk gepositioneerd als een groeimodel, dat voortdurend flexibel moet blijven inspelen op ontwikkelingen en vragen op het gebied van opgroeien en opvoeden. Het Centrum voor Jeugd en Gezin steekt positief in op de kansen voor kinderen, jongeren en ouders. Het is bovendien laagdrempelig, herkenbaar en goed te vinden.

Tynaarlo antwoordt snel
‘Opvoeden en opgroeien, daar praat je over’ is de achterliggende gedachte. Elke (opvoed)vraag krijgt een snel en deskundig antwoord. Het kernteam CJG speelt een verbindende rol op de achtergrond. De CJG professionals leggen eenvoudig en gerichte contacten tussen onderwijs, peuterspeelzaal, consultatiebureau, jongerenwerk, veiligheidshuis en hulpverlening.

Oosterschelde-regio werkt samen
In Zeeland is een regionaal plan ontwikkeld voor de Oosterschelde-regio, waarbij vier nieuwe gemeenten tegelijkertijd een Centrum voor Jeugd en Gezin openen: Borsele, Kapelle, Tholen en  Reimerswaal. Zij werken samen met al drie gerealiseerde CJG’s in de gemeenten Goes, Noord-Beveland en Schouwen-Duiveland.

Drie convenanten
Kern van het CJG plan zijn drie convenanten tussen de gemeenten onderling, tussen gemeente en zorgaanbieders en tussen gemeente,  kinderopvang en onderwijs. Er zijn veel partijen betrokken bij de CJG ontwikkeling. Zo krijgen alleen al MEE, Indigo (hulpverlening), Agathos (thuiszorg), Stichting de Vluchtheuvel (psychosociale hulpverlening), GGD, Leger des Heils, en het SMWO (maatschappelijk werk en welzijn) een taak in het organiseren van de loketmedewerkers.

Elke vraag stellen
De backoffice omvat nog meer instellingen (onder andere jeugdgezondheidszorg, algemeen maatschappelijk werk en bureau Jeugdzorg). De uitgangspunten, missie, visie en doelen hebben een prominente plaats in het CJG model. Voor ouders en jongeren staat de boodschap centraal dat élke opvoed- en opgroeivraag gesteld mag worden. Het CJG belooft samenhang, effectieve hulp en efficiënte ketenzorg.

Zelf aan de slag met de invoering van een CJG? Raadpleeg de gereedschapskist CJG.

Kinderen op de eerste plaats

Bestuurder Ad Stadhouders aan basis van Het Talent

Het ging zoals dat nu eenmaal past bij de uitvoering van ingrijpende maatregelen: niet zonder slag of stoot. Dat kon ook niet anders. Er werd immers een compleet nieuw schoolteam gerekruteerd om de tanende kwaliteit van de school op te krikken. Tien nieuwe medewerkers, een ambitieus bedrijfsplan waarin geen enkel heilig huisje werd gespaard en slechts de zomervakantie om Het Talent ‘bedrijfsklaar’ te maken.

Ad Stadhouders, bestuurder van Katholiek Primair Onderwijs Roosendaal (KPO), nam in 2009 een risico toen hij de metamorfose in gang zette, maar hij heeft er geen spijt van. Ad Stadhouders: “Er gebeurde iets met de kwaliteit waar ik geen grip op had, dus wat doe je dan? Je zegt dat het niet goed gaat. Je haalt er nog eens een deskundige bij, maar uiteindelijk zie je toch dat het te maken heeft met de samenstelling van het schoolteam. We hebben een half jaar nagedacht over hoe we daar verandering in konden brengen, maar uiteindelijk bleek het toch pappen en nat houden te zijn. Dat was niet meer te verantwoorden, want uiteindelijk zouden de kinderen er de dupe van worden. Ik wijs niet naar individuele teamleden, het ging echt om het team als geheel. De teamleden stonden al zo lang op die school, ze hadden de wijk zien veranderen, maar ze waren niet voldoende bij machte om mee te veranderen. Niet omdat ze dat niet wilden, maar omdat ze niet inzagen hoe. Ik had daar begrip voor, maar ik moest er wel een punt achter zetten. Daarom is het hele team herplaatst in de eigen organisatie. Dat was niet gemakkelijk, maar je moet dan voor ogen houden waar het uiteindelijk voor dient. De kinderen komen op de eerste plaats. Dáár gaat het om. Dáár moeten wij de kwaliteit voor leveren. Zij moeten de resultaten halen. Zij zijn van ons afhankelijk, net als de ouders. Op die afhankelijkheidsrelatie moet het bestuur focussen. De ouders en hun kinderen zijn van ons afhankelijk en wij moeten er voor zorgen dat zij daar geen spijt van krijgen.”

Kwaliteit
Juist door die verantwoordelijkheid kan de bestuurder zich niet altijd even populair maken. Ad Stadhouders ligt daar niet echt van wakker. De goedlachse Brabander gaat al vele jaren mee in het onderwijs en op basis van die ervaring weet hij dat je het als verantwoordelijke nu eenmaal niet iedereen naar de zin kan maken. Ad Stadhouders: “De vraag die voor mij centraal staat is: hoe krijg ik de kwaliteit van het onderwijs op onze eenentwintig scholen in beeld? Daartoe maak ik gebruik van harde data, zoals de eindtoetsgegevens van CITO en de opbrengsten van de leerling-volgsystemen. En niet te vergeten de externe audits van de inspectie, die heel consciëntieus de digitale dossiers van de scholen bijhoudt. Je maakt een data-analyse, je doet documentenonderzoek, je bezoekt de scholen. En als je al die gegevens bij elkaar hebt gebracht, kun je zien bij welke van die eenentwintig scholen een tendens zichtbaar is die niet bevorderlijk is voor de kwaliteit van het onderwijs op die scholen. Als een school tegen het zwak presteren aan zit, is actie van het bestuur vereist. Wij hebben op vijf scholen door een extern bureau een interne audit laten uitvoeren, die dus onder onze verantwoordelijkheid plaatsvond. Zo konden we door verschillende brillen bekijken wat er aan de hand was op zo’n school en hoe de organisatie er voor stond. Eerlijk gezegd vind ik dat het leuke van het werk. Als je hier zit en de kinderen schieten er niks mee op, moet je toch gauw wegwezen?”

Middelen
Voordat Ad Stadhouders twee jaar geleden bestuurder werd van KPO Roosendaal was hij zeventien jaar algemeen directeur bij deze middelgrote onderwijsinstelling waar 650 mensen werken voor 5000 leerlingen, met een omzet van circa 34 miljoen euro. Hij investeert graag in scholing van de medewerkers en besteedt daar relatief gezien veel geld aan. Ad Stadhouders: “Hoe kritischer het met de middelen wordt, des te mooier de uitdaging. Met minder meer, daar geloof ik echt in. Als je het over kwaliteit hebt, hoor je heel vaak dat de middelen ontbreken. Ik denk daar toch iets anders over. We hebben wel middelen, maar we ze zetten ze niet altijd even efficiënt in. Als je met directeuren praat over het doelmatig besteden van middelen en je stelt niet de vraag wat die middelen uiteindelijk aan resultaten moeten opleveren, ben je bedrijfsmatig niet goed bezig. Resultaten die geen relatie hebben met het primaire proces, zijn voor mij geen resultaten. Dan hebben we misschien wel iets leuks gedaan,  maar niet de belangen van de kinderen gediend.”

Het talent

Het Talent is een uitgave van Katholiek Primair Onderwijs Roosendaal in samenwerking met advies- en managementbureau BMC.

Tekst: BMC
Fotografie: Jan Vonk
Vormgeving: DMO bureau voor effectieve communicatie, Amersfoort
Drukwerk: Bakkerbaarn, Baarn

Filosoferen met kinderen

De afgelopen jaren is hard  hard gewerkt aan een boek met zinnige verhalen voor kinderen.  En nu is het dan zover ‘Filosoferen met kinderen’ is uit.

De verhalen in dit boek nodigen uit om te filosoferen met kinderen. Ze vertellen met ernst en humor over de grote waarden in het leven. De oorsprong van de verhalen is te vinden in alle culturen en ze behandelen universele thema’s, zoals; geluk, liefde, vriendschap, vrede, vrijheid, respect en gelijkheid.

Elk verhaal is voorzien van een praatpapier waarin de kerngedachte, de kernwaarden en de onderliggende thema’s zijn uitgewerkt. Samen met een aantal open vragen maken de praatpapieren het beleven van het verhaal nog intenser. De open vragen bevorderen kinderen tot zelf denken, eigen vragen stellen en het vinden van eigen antwoorden.

Kortom, een boek met verhalen die helpen bij groeien en wijzer worden. Dit boek is voor mensen uit het onderwijs, de jeugdhulpverlening, voor ouders, of anderen die met kinderen werken.

We hopen dat je er veel plezier aan zult beleven! In vierkleuren druk met prachtige foto’s!

  • 120 pag
  • 40 verhalen
  • Incl werkboek
  • Leeftijd 5-11
  • ook leuk voor thuis
  • Prijs: € 14,50

Aandacht of aanklacht

Jeugdcriminaliteit in agogisch perspectief

Jeugdcriminaliteit is een actuele problematiek. Bijna wekelijks worden we opgeschrikt door berichten over meer of minder ernstige wandaden waarbij jongeren betrokken zjin. Een oplossing is niet voorhanden.

Als pedagoog en andragoog is Marinus Traas geïnteresseerd in de rol die opvoeding speelt bij jeugdigen. Opvoeding in brede zin wel te verstaan, dus met inbegrip van maatschappelijke en sociaal-culturele factoren. Ook wil Traas weten welke factoren er, naast de opvoeding, verder nog een rol spelen. Antwoorden op deze vragen kunnen helpen om uiteindeljik tot een betere hulpverlening en bejegening te komen.

Aandacht of aanklacht is de titel van de handelseditie van zijn proefschrift, waarin Traas op zoek is gegaan naar de relatie tussen opvoeding en jeugdcriminaliteit. Als eerste gaat hij in op het ‘buitenperspectief’, en komen onder meer jeugdcriminaliteit in groepsverband en de rol van jeugdcultuur aan bod. In het tweede deel van het boek bespreekt Traas het binnenperspectief.  Dader en hulpverlener worden in beeld gebracht: het misdrijf, hun verhaal, hun wereld, hun positie.
Door toepassing van het verhaalbegrip en het door Traas geïntroduceerde concept ‘performance’ op jeugdcriminaliteit wil de auteur de lezer inzicht geven in wat jeugdcriminaliteit feitelijk is en reikt hij een model voor aanpak aan.

272 pagina’s ISBN 9789055744350 Prijs € 29,50
Doelgroepen: Professionele hulpverleners in opleiding en praktijk

Pieter Omtzigt: Patiënten altijd inzage in hun medisch dossier

Bron: Medical facts

Zodra het Elektronisch Patiënten Dossier (EPD) wettelijk van kracht wordt, moeten mensen inzage kunnen hebben in hun eigen dossier. Dat vindt CDA-kamerlid Pieter Omtzigt. Hij benadrukte dit deze week tijdens een debat over de vorderingen met het EPD. “Als alleen artsen en apothekers erin kunnen, dan is het geen patiëntendossier, maar een doktorendossier. Maar je eigen medische gegevens gaan over jou en zijn niet van de dokter of de apotheker.

Volgens Omtzigt moeten de gegevens via een landelijk punt beschikbaar zijn, en niet via de sites van zorgverleners. Minister Schippers bedacht dit als veilige tussenstap, omdat inloggen met DigiD op een landelijke site niet betrouwbaar betrouwbaar zou zijn. Het CDA is altijd voorstander geweest van het EPD als middel voor het verbeteren van kwaliteit en veiligheid in de zorg. Om het vertrouwen van mensen in het EPD te vergroten, worden nu diverse mogelijkheden toegevoegd. Zo kun je een sms-je ontvangen op het moment dat je dossier geraadpleegd wordt, en kun je zelf beslissen of je dossier volledig openbaar is, of dat bepaalde zaken afgeschermd worden. Omtzigt: “Op zich zijn dat goede opties, maar wij vragen ons wel af of afscherming de veiligheid ervan niet verkleint. Bepaalde informatie kan cruciaal zijn als je plotseling moet worden opgenomen of geopereerd. Hier moet wel goed over nagedacht worden.”

Om de veiligheid van het EPD te laten testen, heeft de minister hackers uitgenodigd te proberen het systeem te kraken. Op die manier kunnen voordat het definitief in werking treedt de weeffouten eruit gehaald worden. “Veiligheid en het waarborgen van privacy zijn heel belangrijk voor het draagvlak in de samenleving voor het EPD. We zijn blij dat de minister hier zulke duidelijke maatregelen in neemt”, aldus Omtzigt.

Welkomhuis Twente naam vakantiehuis

Bron: RTV Oost

Het vakantiehuis dat Stichting Colombinehuis Twente bouwt op het Hulsbeek in Oldenzaal krijgt de naam Welkomhuis Twente.

Dat is vrijdag bekend gemaakt op een benefietavond. De opbrengst van de benefietavond was 10.000 euro. Het vakantiehuis van de stichting is bedoeld voor gezinnen met kinderen die om verschillende redenen intensieve zorg nodig hebben. De grond voor het vakantiehuis is beschikbaar gesteld door villapark Eureka.

Toenemende gelijkheid is nog geen verheffing

Bron: RMO

Een bijdrage van Maarten Wolbers en Jochem Tolsma. Ze zijn als socioloog verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Door de grotere toegankelijkheid van het onderwijs zijn de sociale mobiliteit en de gelijkheid in Nederland toegenomen. De keerzijde van dit proces is dat diploma’s op de arbeidsmarkt lager gewaardeerd worden. Steeds meer jonge mannen hebben nu een lager opleidingsniveau dan hun ouders.

In 2009 is de sociale mobiliteit toegenomen sinds 2003, net als in de jaren daarvoor. De ongelijkheid is op tal van terreinen verder gedaald en kinderen zijn minder afhankelijk geworden van hun ouders in wat ze willen bereiken. Een grote uitzondering op dat hele proces van sociale mobiliteit is de woningmarkt. Daar zie je vooral bij de hoger opgeleiden een sterke overdracht van eigendom en bezit. Ook op het gebied van de gezondheid is sprake van overdracht, maar dan betreft het alle sociale milieus en gaat het over kilo’s. Ofwel: zowel ouders als kinderen worden steeds zwaarder. Met als kanttekening dat extreem overgewicht is geconcentreerd bij de laagopgeleide Nederlanders.

Trendbreuk
In NRC Handelsblad van 5 januari 2011 spreekt de Amsterdamse hoogleraar Duurzaamheid, tevens columniste, Louise Fresco over een keerpunt in de tot voor kort heersende trend dat iedere generatie kinderen meer bereikt in opleiding en inkomen dan hun ouders. Terecht wijst ze erop dat dit keerpunt voornamelijk voor jonge mannen geldt. Maar haar opmerking dat ‘vrouwen hun moeders nog wel overtreffen’ is onjuist. Dit werd noch in ons onderzoek, noch in dat van het Sociaal Cultureel Planbureau aangetoond. Wij hebben een vergelijking gemaakt tussen ouders en hun kinderen, niet tussen moeders en hun dochters. Ons onderzoek toont inderdaad een tendens tot neerwaartse mobiliteit. Wij laten zien dat dit een logisch gevolg is van een toegenomen gelijkheid tussen sociale milieus. Doordat kinderen van de lagere milieus ook toegang hebben gekregen tot de diverse vormen van hoger en wetenschappelijk onderwijs en de beter betaalde banen, vond er een opwaartse mobiliteit plaats.

Tegelijkertijd behaalt een nieuwe generatie niet per se meer dezelfde opleiding als zijn ouders. Onze interpretatie hiervan is dat het deels een “plafondeffect” betreft. Soms kun je als kind je ouders maar moeilijk overtreffen. Fresco geeft in haar column het voorbeeld van een hoogleraar met kinderen. De kans dat die kinderen ook hoogleraar worden acht zij klein, en ‘iets meer’ dan dat zelfs verwaarloosbaar. Een terechte constatering, volgens ons, maar daarmee ben je er niet. Want wie zijn die dalers, behalve de kinderen uit het voorbeeld? Zijn dat de kinderen van ouders die net op de maatschappelijke ladder waren gestegen of behoren ze tot de gevestigde families? En wat betekent die sociale daling voor de kinderen van de huidige generatie jongeren?

Diploma-inflatie
In ons onderzoek blijkt eens te meer dat er een sterke relatie bestaat tussen onderwijs en arbeidsmarkt in Nederland. Ons land kent een heel uitgebreid systeem van beroepsonderwijs om aansluiting op de arbeidsmarkt te bewerkstelligen. Ook zijn de werkgevers nauw betrokken bij het opstellen van het curriculum voor het (hoger) beroepsonderwijs. De insteek daarvan is dat de kennis en de vaardigheden die een leerling in het onderwijs opdoet, direct kunnen worden aangewend in het productieproces. Wat er nu gebeurt, is dat bepaalde opleidingen aan inflatie onderhevig zijn. Waar je vroeger met een MTS-opleiding op een goede plek terecht kwam, heb je nu een HTS-diploma nodig.

Het belang van een hoge opleiding voor de sociale mobiliteit in de moderne Nederlandse samenleving is vooral na de Tweede Wereldoorlog telkens groter geworden. Die trend lijkt doorbroken te worden omdat de onderwijsexpansie niet vergezeld gaat van veranderingen op de arbeidsmarkt. Er zijn, kort gezegd, te weinig posities van niveau beschikbaar. Daardoor ontstaat er een diploma-devaluatie die zich, opvallend genoeg, voornamelijk voordoet aan de bovenkant van de arbeidsmarkt. (Voor alle duidelijkheid: een goede opleiding is nog steeds sterk bepalend voor iemands toekomstige beroepsstatus en inkomen.) Dat beeld past binnen de moderniseringsthese, een theorie die stelt dat een moderne samenleving berust op een verdeling naar verworven kenmerken, zoals opleiding, in plaats van toegeschreven kenmerken, zoals sociale herkomst. De tweede veronderstelling, dat de arbeidsmarkt doelmatig functioneert, sluit daar dus kennelijk niet naadloos op aan.

Onderscheid
De diploma-inflatie herbergt overigens een paradox, want voor de samenleving kan de waarde van een bepaalde opleiding weliswaar verminderen, maar dan nog kan het voor een individu lonend  zijn om die opleiding te volgen. Het individu onderscheidt zich met een hogere opleiding toch van de grote rest, zelfs al is de opbrengst van zijn investering wellicht niet navenant. Vanwege de ontwaarding van het diploma winnen andere zaken aan belang. Om zijn beroepskansen te vergroten doet een student doet er goed aan om tijdens zijn studie bijvoorbeeld bestuursfuncties te bekleden en veel aandacht te besteden aan het opbouwen van netwerken. Of hij kan zich onderscheiden door hoge cijfers te behalen en/of cum laude af te studeren. Jezelf onderscheiden is het parool. Universiteiten spelen daarop in door de vorming van aparte studieprogramma’s voor de betere studenten.

Behalve onderzoek naar de sociale mobiliteit in de klassieke betekenis, dus via opleiding, arbeid en inkomen, wilde onze opdrachtgever, de RMO, ook weten of er patronen van sociale stijging en daling zijn te ontwaren in: woonsituatie, culturele participatie en gezondheid. Onze verwachting dat deze verschillende domeinen met elkaar verbonden zijn, kwam voor een deel uit. Bij culturele participatie en gezondheid zie je eenzelfde trend als bij de klassieke domeinen; kleiner wordende verschillen naar opleidingsniveau. De diverse groepen groeien als het ware naar elkaar toe.

Cultuur is niet langer het exclusieve domein van de hoger opgeleiden, laat staan een linkse hobby. Op de grotere gelijkheid en vermenging, is overigens een tegenreactie ontstaan. Mensen proberen zich op allerlei andere manieren toch weer te onderscheiden.  In het onderwijs zie je dat ook, bijvoorbeeld in de populariteit van de categoriale gymnasia.

Obesitas
Op het gebied van de gezondheid, is eveneens een tendens tot grotere gelijkheid: Nederlanders, zowel hoog als laagopgeleid, worden steeds dikker. Natuurlijk moet je een onderscheid maken tussen een welvaartsbuikje, vooral bij de hoger opgeleiden, en een dikke buik vanwege eenzijdige voeding, vooral bij de lager opgeleiden. Dat neemt niet weg dat we een algemene tendens waarnemen waarbij Nederlanders vooral na hun jeugd steeds zwaarder worden. De trend naar algemene zwaarlijvigheid is overigens niet uniform. Extreme dikte, obesitas, komt vooral bij lager opgeleiden voor. In zijn recent verschenen rapport Van-Gezond-naar-Beter concludeert het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu dat laag opgeleiden gemiddeld veertien jaar korter leven zonder beperkingen dan hoger opgeleiden. Natuurlijk is er een verband, want extreem overgewicht heeft consequenties voor de levensverwachting, maar het zij benadrukt dat levensverwachting iets anders is dan overgewicht.

Het enige domein waar geen sprake is van een beweging naar grotere ongelijkheid, is de woonsituatie. Uit ons onderzoek blijkt dat hoger opgeleiden veelal in koophuizen wonen met meerdere kamers. Lager opgeleiden wonen vaker in huurhuizen met een beperkt aantal vertrekken. Deze vorm van sociale ongelijkheid is nu evidenter dan voorheen. Gechargeerd kun je zeggen dat het eigen huisbezit vooral het voorrecht is van de hoger opgeleiden. In het kader van sociale mobiliteit: kinderen die opgegroeid zijn bij ouders met een eigen huis hebben een grotere kans op een eigen huis dan kinderen die zijn opgegroeid bij ouders met een huurhuis.

Sociale daling
De groeiende openheid van en de toenemende gelijkheid in de Nederlandse samenleving is niet meer hetzelfde als de verheffing van de van oudsher achtergestelde sociale groepen. Ze is steeds meer te herleiden tot de ontheffing van de hogere strata in de samenleving. Er is een tendens tot sociale daling van de hogere milieus op de domeinen van onderwijs en arbeid en het kleiner worden van verschillen tussen hoger en lager opgeleiden bijvoorbeeld in culturele participatie en gezondheid. De samenhang tussen de klassieke domeinen, onderwijs en arbeid, en de domeinen van cultuur en gezondheid suggereert een naar elkaar toe groeien van de hogere en lagere milieus. Het domein wonen daarentegen vertoont een sterkere mate van ongelijkheid.

Onze conclusies ten aanzien van de grotere gelijkheid lijken in tegenspraak met de bevindingen van Mark Bovens en Anchrit Wille in hun boek ‘Diplomademocratie. Over de spanning tussen meritocratie en democratie’. Bovens en Wille stellen een steeds grotere kloof vast tussen lager en hoger opgeleiden. Twee opmerkingen daarover. Ten eerste gaat het boek van Bovens en Wille voornamelijk over verschillen in politieke voorkeuren en invloed tussen hoger en lager opgeleiden en niet over cultuurparticipatie en gezondheid. En ten tweede is hun boek nauwelijks gebaseerd op empirisch bewijsmateriaal en bevat het slechts verwachtingen en hypothesen.

Om het proces van sociale stijging en daling in Nederland nog beter in beeld te brengen, is onderzoek nodig dat zich uitstrekt over drie generaties. Zodoende wordt het mogelijk om de effecten van sociale daling op de sociale mobiliteit straks helder over het voetlicht te krijgen.

De schrijvers deden in opdracht van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling deden zij onderzoek naar sociale mobiliteit. Hun rapport ‘Naar een Open Samenleving’ kan worden besteld of gedownload via de link.

Peuters naar het basisonderwijs

Bron: Nieuwsbericht Rijksoverheid

Minister Van Bijsterveldt start deze zomer met een landelijke proef waarbij peuters met een leerachterstand zich binnen de rijke leeromgeving van de basisschool kunnen ontwikkelen. Doel van de proef is om de prestaties van jonge leerlingen met een (taal)achterstand vroegtijdig en spelenderwijs te verbeteren, zodat deze ‘Startgroep’ kinderen alsnog een vliegende start kunnen maken op het moment dat ze naar de basisschool gaan. ‘Voor deze leerlingen en hun ouders is het van groot belang dat ze een vliegende start in plaats van een valse start maken in het basisonderwijs. En voor meesters en juffen en andere klasgenootjes op de basisschool heeft dit ook grote voordelen. Alle betrokkenen hebben hier profijt van”, aldus Van Bijsterveldt.  

Met het ‘Startgroep’-experiment wordt een inhoudelijke aansluiting met het basisonderwijs beoogd. Er vindt in dit experiment geen structuur- of stelselwijzigingen plaats voor basisscholen, peuterspeelzalen en kinderdagverblijven. Hoewel het inhoudelijke leeraanbod onder verantwoordelijkheid van het schoolbestuur komt, zal het aanbod in nauwe samenwerking met de peuterspeelzaal en/of het betrokken kinderdagverblijf uitgevoerd worden. De afgelopen jaren hebben scholen, peuterspeelzalen en kinderdagverblijven elkaar al steeds meer opgezocht om met elkaar samen te werken.

Advies Onderwijsraad
Vorig jaar heeft de Onderwijsraad het advies uitgebracht “Naar een nieuwe kleuterperiode in de basisschool”. De Raad stelde daarin voor dat de basisschool een rijk aanbod voor alle driejarigen zou moeten verzorgen gedurende vijf ochtenden in de week. Ook stelde de Raad om voor deze specifieke groep meer hbo-opgeleide docenten in te zetten. Geinspireerd door dit advies heeft Van Bijsterveldt besloten een landelijk experiment te starten voor peuters in het basisonderwijs. Daarbij kiest zij ervoor om de focus te leggen op het wegwerken van achterstanden bij peuters vanaf 2,5 jaar oud. Zij is op dit moment met een aantal gemeenten in gesprek die aangeven veel interesse te hebben in dit nieuwe initiatief. Binnenkort wordt bekend welke gemeenten aan het experiment mogen deelnemen met peutergroepen. Daarbij denkt de bewindsvrouw ook aan een pilot in een krimpregio, waardoor kleine schooltjes kunnen voortbestaan.

De lat omhoog
De bewindsvrouw wil over de volle breedte van het onderwijs de lat omhoog en de prestaties verbeteren. In het voorjaar komt zij daarom ook voor het basisonderwijs met een aanpak: ‘Actieplan Basis voor Presteren’, dat zich richt op prestatieverbetering van het jonge kind. De basis voor beter presteren in het primair onderwijs kan uitstekend worden verstevigd met een ‘Startgroep’, waar peuters een pedagogisch hoogwaardig aanbod krijgen. In de het experiment met de ‘Startgroep’ wordt onderzocht of de aansluiting van het peuteraanbod bij het basisonderwijs de prestaties van leerlingen verbetert.

Op dit moment is er voor peuters met een achterstand voorschoolse educatie beschikbaar op peuterspeelzalen en kinderdagverblijven. Kinderen worden door pedagogisch medewerkers op mbo-niveau begeleid. In de peutergroepen die meedoen aan het ‘Startgroep’-experiment bestaat dankzij de subsidie voor de proef de begeleiding zowel uit mbo’ers als uit hbo’ers.

Experiment
Voor het experiment met de ‘Startgroep’ stelt het kabinet dit jaar ruim 1 miljoen euro beschikbaar. Dat zal met name worden ingezet om hbo-leerkrachten in te zetten en hen bij te scholen voor het werken met kinderen in de peuterleeftijd. Naast de pilots met de peutergroepen gaat het kabinet ook extra investeren in voorschoolse en vroegschoolse educatie op peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en basisscholen onderwijsachterstanden te bestrijden en prestaties te verhogen. Ook wordt extra ingezet op schakelklassen, zomerscholen en extra onderwijstijd voor kinderen die een achterstand hebben.

Zwolse PvdA tegen meer taken gemeente

Bron: RTV Oost

De Zwolse PvdA-fractie wil dat het gemeentebestuur zich uitspreekt tegen de kabinetsplannen om de gemeente meer taken te geven zonder daar extra geld voor uit te trekken.

De regering wil de verantwoordelijkheid voor jeugdzorg, de Wajong-uitkering en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) bij gemeenten neerleggen. De PvdA is bang dat de kwaliteit van deze voorzieningen achteruit gaat als er niet genoeg geld beschikbaar wordt gesteld. De partij dient maandagavond tijdens de raadsvergadering een motie over het onderwerp in.

Page 1 of 41234»

Categorieën