Adoptieprofessor met hart voor het gezin

Bron: RD

Ze is de enige adoptieprofessor ter wereld en werd in 2010 onderscheiden voor haar werk. Tekeningen aan de wand van haar werkkamer tonen het interesseveld van bijzonder hoogleraar Femmie Juffer: kinderen; adoptiekinderen in het bijzonder.

Net als de unieke leerstoel die Juffer aan de Universiteit Leiden bezet, is de aanloop tot haar werk allerminst gewoon. Na haar studies in de pedagogiek wijdde ze zich voltijds aan de opvoeding van haar twee geadopteerde dochters. Vervolgens ging ze zich als hoogleraar met het onderwerp bezighouden waarin ze inmiddels ervaringsdeskundige was.

„Door de studie pedagogiek gingen mijn man en ik nadenken over adoptie. Ouderlijke zorg is onmisbaar, maar tehuiskinderen moeten zonder die geborgenheid leven. We besloten te adopteren, en daarom ben ik na mijn studie niet gaan werken. Wel heb ik tijdens de wachtperiode voor onze kinderen vrijwilligerswerk gedaan bij adoptieorganisatie Wereldkinderen.

Toen onze beide kinderen naar school gingen, ben ik langzaamaan aan het werk gegaan. Door mijn ervaring bij Wereldkinderen rolde ik zo het adoptieonderzoek in. Na mijn promotie in Utrecht werd ik in 2000 in Leiden benoemd op de leerstoel adoptie.”

Tegenwoordig hoor je weinig meer van adoptie. Is adopteren uit?
„Inderdaad is het aantal adopties afgenomen, onder meer doordat er minder adoptieverkeer tussen landen is dan vroeger. Adoptie in het land zelf heeft de voorkeur. Bovendien worden sommige landen rijker en hierdoor worden er minder kinderen te vondeling gelegd.

De belangstelling voor adoptie is ook afgenomen. Dat komt waarschijnlijk doordat de meeste adoptiekinderen uit het buitenland ”special needs” hebben: ze hebben bijzondere zorg nodig, bijvoorbeeld vanwege een handicap. En dat vormt voor veel mogelijke adoptiefouders een drempel.”

Vindt u dat adoptie voor iedereen mogelijk moet zijn?
„Ik kijk graag vanuit het kind. Als kinderen bij homo-echtparen een gezinssituatie ervaren, is het wat mij betreft prima. Als een kind gehecht is aan een opvoeder, gaat de ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid veel beter. Voor die gehechtheid zijn warmte en koestering nodig. Uit onderzoek blijkt dat dit ook bij homo-echtparen kan.”

Hoe zit dat met eenoudergezinnen?
„Daarbij is het van belang dat er genoeg rolmodellen voor het kind zijn. Heeft de vrouw die het kind wil adopteren bijvoorbeeld een vader of broer die voor het kind het ‘manbeeld’ kan vormen? Ook moeten er genoeg mensen om de vrouw heenstaan, want alleen opvoeden is zwaar.”

Tijdens de colleges haalt u Bijbelse voorbeelden aan. Wat betekent de Bijbel voor u?
Na een stilte: „Ach, ik gebruik de voorbeelden vooral omdat ze toepasselijk zijn. Mozes in het biezenmandje die geadopteerd wordt door de dochter van de Farao. Of het Salomonsoordeel. Het waren mooie platen in de kinderbijbel.”

Geloven is voor u van vroeger?
„Ik heb de verhalen meegekregen, en die koester ik nog wel.”

In de huidige samenleving zijn gezagsverhoudingen tanende. Welke gevolgen heeft dat voor gezinnen in het algemeen?
„Naast het geven van liefde is het stellen van regels uiterst belangrijk voor elk kind. Vroeger gebeurde dat op een autoritaire manier. Je gehoorzaamde je ouders, want zo was het nou eenmaal. Er was veel duidelijkheid, maar het starre ging soms ook ten koste van de band tussen ouders en kinderen.

Nu benadrukken wij hier als pedagogen dat regels nog altijd belangrijk zijn, maar dat ze wel moeten worden uitgelegd. Ook aan kinderen van één jaar. Geleidelijk aan zullen zij die regels dan bij het opgroeien gaan begrijpen.

Het is uiterst belangrijk daarbij consequent aan de regels vast te houden. Wat vandaag fout is, is morgen ook fout.”

Hoeveel ruimte moet er zijn voor overleg?
„Als iets vaststaat, valt er niet te overleggen. Ten onrechte zien ouders het stellen van regels tegenwoordig als iets negatiefs. Tegelijk vind ik het prima als er overleg is over dagelijkse dingen als de bedtijd. Overleg schept ook duidelijkheid.”

Adoptie is een goede optie. Is de kinderopvang dat ook?
„Bij adoptie krijgt een kind voor dag en nacht (een) nieuwe ouder(s). Kinderopvang staat niet op gelijke hoogte, daarbij zijn er alleen extra verzorgers die het kind helpen opvoeden.

Uit de gehechtheidstheorie weten we dat het kind overzicht moet hebben. Veel scheidingen van de moeder, veel wisselingen van leidsters, weinig persoonlijke aandacht en geen geborgenheid zijn fataal. Die richting mag kinderopvang nooit opgaan.”

De huidige samenleving dwingt af dat gezinnen losser zijn. Worden gezinnen versplinterd doordat er minder gezamenlijke momenten zijn?
„Ja, daar moet je als gezin echt voor waken. Streef ernaar dat de momenten dat je samen bent van hoge kwaliteit zijn.

Anderzijds, vroeger waren moeders meer thuis, maar zij hadden niet per se meer tijd voor hun kind. Het huishoudelijk werk was drukker, omdat er weinig hulpmiddelen waren.

In deze tijd moeten ouders ervoor zorgen dat zij momenten met het kind hebben zonder ‘afleiders’ zoals mobieltjes en laptops. Dan heb je meer aan minder momenten.”

U ziet de toekomst van het gezin positief?
„Ja, gezinnen zullen altijd blijven bestaan. Ik zie ook een positieve tendens in de gelijkheid tussen man en vrouw in de opvoeding. De rollen zijn meer verdeeld en dat vind ik een kans voor kinderen. Zij kunnen hun vader beter leren kennen en hij is vooral voor jongens een goed rolmodel. Een pappadag juich ik van harte toe.

„Adoptiekind is geen probleemkind”

Femmie Juffer (1950) volgde de studie pedagogische wetenschappen aan de Universiteit Utrecht en studeerde in 1976 af in de klinische pedagogiek en de orthopedagogiek. Juffer wijdde zich daarna, gesteund door haar man, volledig aan de opvoeding van hun twee adoptiekinderen uit Bangladesh en Peru.

Voor de adoptieorganisatie Wereldkinderen ontwikkelde zij voor- en nazorgconcepten voor adoptieouders.

Vanuit de Universiteit Utrecht werd Juffer gevraagd onderzoek te doen. Ze promoveerde daar in 1993 op haar adoptieonderzoek. In 1993 stapte Juffer over naar de Universiteit Leiden, waar ze sinds 2000 als hoogleraar verbonden is aan de leerstoel adoptiestudies.

Juffer was medeoprichter van een adoptietijdschrift en van het Adoptie Driehoek Onderzoeks Centrum. In 2010 werd ze benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Problematiek jeugdigen in gezinshuizen meervoudig en complex

Bron: NJi, Gezinshuis.com


Utrecht, 18 januari 2012 –Het Nederlands Jeugdinstituut organiseerde in 2011 samen met de Rudolphstichting en Gezinshuis.com de kenniskring ‘Gezinshuizen in de jeugdzorg’. Welke problemen hebben jeugdigen die worden opgenomen in gezinshuizen? Welk doel dient plaatsing in een gezinshuis en welke ondersteuning hebben gezinshuisouders nodig om geplaatste jeugdigen op te voeden? Deze en meer vragen stonden centraal. De bevindingen staan verwoord in de onlangs verschenen publicatie ‘Gezinshuizen in de jeugdzorg. De kennis verzameld en de stand van zaken’.

Inventarisatie en analyse populatie gezinshuizen
Met input van elf aanbieders van jeugd & opvoedhulp heeft de kenniskring een inventarisatie en analyse gemaakt van de huidige populatie jeugdigen en hun gezin van herkomst. Daaruit blijkt dat de problematiek meervoudig en complex kan zijn. Met name in de gezinnen van de jeugdigen spelen diverse problemen zoals ontoereikende opvoedingsvaardigheden, verwaarlozing en problemen in de ondersteuning, verzorging en bescherming van de jeugdigen.

Plaatsing en matching
Een zorgvuldige matching van de jeugdige aan het gezinshuis vergroot de kans op het slagen van de plaatsing. In de praktijk voert de wachtlijst en afspraken daarover in de provincie, sterk de boventoon. De kenniskring wil meer zicht op het te doorlopen proces, hoe dat het beste vormgegeven kan worden en welke rol kennismaking en ingroei in het gezinshuis daarin speelt. De kenniskring pleit voor uitgebreid, robuust en wetenschappelijk onderzoek naar de factoren in de jeugdige, gezin van herkomst en gezinshuis die hiervoor van belang zijn.

Ondersteuning gezinshuisouders
De kenniskring vindt het belangrijk om beter zichtbaar te maken wat een gezinshuis doet en waaruit het wonen, specifiek opvoeden en behandelen in een gezinshuis bestaat gedurende de tijd dat een jeugdige in een gezinshuis verblijft. Als een kind van 10 jaar bijvoorbeeld in een gezinshuis wordt geplaatst om daar langdurig op te groeien, zijn enkele moeilijke perioden te voorzien, zoals de puberteit, waarin de gezinshuisouders misschien aanvullende ondersteuning nodig hebben.

Openstaande vraagstukken
In de praktijk komen bij plaatsing in een gezinshuis drie einddoelen voor: terug naar huis, bepalen perspectief van de jeugdige en langdurig opgroeien. De vraag is of een gezinshuis de best passende voorziening is voor al deze drie. Dit vraagstuk verdient nadere verkenning. Evenals de vraag hoe een ondersteuningsteam van een gezinshuis er in de ideale situatie uit ziet.

Publicatie
De bevindingen uit de kenniskring ‘Gezinshuizen in de jeugdzorg’, aangevuld met kennis uit een tegelijkertijd lopend project in Noord-Holland waarin een kwaliteitsimpuls werd gegeven aan kleinschalige gezinsvoorzieningen, staan beschreven in de publicatie ‘Gezinshuizen in de jeugdzorg. De kennis verzameld en de stand van zaken’, onder redactie van Mariska van der Steege. Het is een product van alle betrokkenen. De publicatie is kosteloos te downloaden via de website www.nji.nl/publicaties.

‘Meer openheid over decentralisatie’

Bron: Nieuwsbericht

EDE – De Edese fractie van de ChristenUnie maakt zich zorgen over het voorbereidingsproces van de drie gigantische decentralisatieoperaties in Ede.

In het college is afgesproken dat het overhevelen naar de gemeente van landelijke zorgtaken (AWBZ-onderdelen), de Wet Werken Naar Vermogen en de jeugdzorg in één bestuursopdracht wordt uitgevoerd. ,,Maar de fractie krijgt nu terechte vragen van instellingen over hun toekomst. En die kan ze niet beantwoorden omdat de fractie zelf ook nog onvoldoende is geïnformeerd”, aldus Jellie Kiefte.

Het raadslid: ,,Uit werkbezoeken en vragen van instellingen die al jaren in Ede werkzaam zijn en straks van AWBZ naar de gemeente -de WMO- gaan, merken we dat de onzekerheid over de toekomst een rol gaat spelen. Wij zijn van mening dat zeker de reeds gevestigde instellingen in Ede eerder duidelijkheid over hun voortbestaan verdienen dan nu het geval is”.

Johanniter
Kiefte heeft daarom schriftelijke vragen gesteld. ,,Er ligt nu een concept WMO-kadernota en de AWBZ-instellingen worden eind januari weer voor een bijeenkomst uitgenodigd. Maar weten ze dan wel waar ze aan toe zijn? Wij hopen het, maar vermoeden van niet. Omdat de raad hier nog niet over heeft kunnen besluiten. De raad wordt vooral geïnformeerd met tijdlijnen, maar niet met concrete inhoudelijke voorstellen. Die staan voor de WWNV pas voor eind 2012 gepland. En bij de WMO wordt 2012 gebruikt voor ‘draagvlak creëren met bijeenkomsten’. Maar voor bijvoorbeeld de Johanniteropvang is het wel vijf voor twaalf. En die instelling heeft al in 2010 aan de bel getrokken.”

Vergoelijkend vervolgt de politica: ,,Het is niet mis wat er op de gemeenten afkomt, dat zien wij ook wel. Met minder financiële middelen wordt een immense prestatie geëist. Niet alleen de Wet Werken naar Vermogen zou in 2014 een feit moeten zijn, met gevolgen voor de sociale werkvoorziening, de jonge arbeidsgehandicapten (Wajongers) en de (jonge) werklozen. En dan nog de decentralisatie AWBZ en Jeugdzorg.”

Eigen regie
Ze zegt: ,,Ook zullen de gemeenten op moeten draaien voor de bijzondere bijstand voor mensen met zwaardere psychische problematiek die een eigen bijdrage moeten betalen en daar het geld niet voor hebben. En verder heeft het Rijk besloten per 1 januari 2012 de mogelijkheid af te schaffen van een Persoons Gebonden Budget voor mensen met een nieuwe indicatie in functies en klassen (verpleging, persoonlijke verzorging, begeleiding en kort verblijf). Dus is het bij bijvoorbeeld persoonlijke verzorging weer afwachten wanneer iemand van een zorginstelling je komt wassen, in plaats van de verzorgende die je met je PGB had geregeld. Dit kan de eigen regie over het dagelijks leven (bijvoorbeeld op tijd naar je werk kunnen gaan) in gevaar brengen. Ik wil van het college weten of deze eigen-regievisie ook wordt uitgevoerd als het (extra) geld kost.”

Forensische Polikliniek Kindermishandeling kan verder

Bron: Ministerie VWS

De Forensische Polikliniek Kindermishandeling krijgt 1 miljoen euro voor 2012. Dat staat in een brief die staatssecretaris Marlies Veldhuijzen van Zanten van VWS op 17 januari naar de Tweede Kamer stuurde.

De Forensische Polikliniek Kindermishandeling doet medisch-forensisch onderzoek bij ernstige vermoedens van kindermishandeling. De kliniek dreigde te moeten sluiten omdat de Van der Hoevenkliniek, waar de polikliniek onder valt, die niet meer kan financieren. De staatssecretaris wil voorkomen dat de opgebouwde kennis, expertise en diensten van de kliniek verloren gaan. In afwachting van mogelijke reguliere financiering via de Zorgverzekeringswet wil zij de kliniek dit jaar nog financieren.

Momenteel onderzoekt het ministerie van Veiligheid en Justitie of particuliere instituten het aanbod aan forensisch onderzoek kunnen vergroten.

OCW steekt 600 miljoen in onderwijskwaliteit

Bron: Ministerie OCW

Het ministerie van OCW investeert de komende jaren ruim 600 miljoen euro in de realisatie van prestatieafspraken met het basisonderwijs. De afspraken staan in een bestuursakkoord tussen OCW en de PO-Raad, dat op 17 januari is ondertekend.

Het bestuursakkoord is gericht op de invoering van opbrengstgericht werken, het terugdringen van het aantal zeer zwakke scholen, een beter aanbod voor talentvolle leerlingen, het versterken van de bekwaamheid van leraren en schoolleiders en het betrekken van ouders bij de prestaties van hun kinderen. Opbrengstgericht werken is een aanpak die erop gericht is de leerresultaten van alle leerlingen zo groot mogelijk te maken. Voor het uitvoeren van het bestuursakkoord krijgen de schoolbesturen 132,5 miljoen euro in 2012, 167,1 miljoen in 2013 en 157,4 miljoen in 2014 en in 2015.

Gepest kind gebaat bij luisterende ouder

Bron: Vrije Universiteit

4-jarige kinderen die op school het slachtoffer van pesterijen zijn, hebben het meest aan ouders die goed naar hen luisteren en hen ondersteunen in het bedenken van oplossingen. Dat blijkt uit het proefschrift van Mariëlle Bonnet, die op 18 januari aan de Vrije Universiteit promoveert.

Bonnet onderzocht ruim tweeduizend basisschoolkinderen. Ze keek naar de kenmerken van de scholen en de opvoedstijl van de ouders. Het sociale klimaat van de school bleek een belangrijke factor. Daarnaast waren er grote verschillen tussen klassen. Op scholen in achtsterstandsbuurten werden kinderen minder vaak het slachtoffer van agressie in de klas als alle groepen socialevaardigheidstraining kregen.

Het ontwikkelen van trainingen waarin ouders van gepeste kinderen leren welke ouderschapsstrategieën werken, kan nuttig zijn, stelt Bonnet. Het is wel belangrijk om de effecten van het gedrag van ouders in verhouding te blijven zien met de aanzienlijke invloed die school en klas op het pesten hebben, waarschuwt ze.

Passend Onderwijs in relatie tot rol gemeenten

Bron: VNG

Het wetsvoorstel Passend Onderwijs is in december 2011 ingediend bij de Tweede Kamer. De bedoeling is dat de wet per augustus 2012 van kracht wordt. Samenwerkingsverbanden van scholen in het primair en voortgezet onderwijs krijgen dan de opdracht zorg te dragen voor een passend onderwijsaanbod in de samenwerkingsregio’s. De indeling van deze samenwerkingsregio’s zal veranderen: het voortgezet onderwijs blijft op 76 regio’s, het primair onderwijs gaat van 235 eveneens naar 76 regio’s.

Per 1 mei 2013 moeten de ondersteuningsplannen van de samenwerkingsverbanden naar de Inspectie van het onderwijs gestuurd worden. Deze plannen moeten in overeenstemming met gemeenten tot stand zijn gekomen. Omdat per 2013 de jeugdzorg nog niet is gedecentraliseerd kunnen gemeenten alleen afspraken maken over de inzet van jeugdgezondheidszorg, opvoed- en opgroeiondersteuning en begeleiding van de jeugd-LVB (gaat per 1 januari 2013 over naar de Wmo). De ondersteuningsplannen worden voor maximaal 4 jaar vastgesteld. De VNG heeft in een brief van 9 januari 2012 een aantal knelpunten van het wetsvoorstel voor gemeenten onder de aandacht gebracht van de Tweede Kamer.

Stand van zaken decentralisatie jeugdzorg

Bron: VNG

Nieuwe wetgeving

De planning van het wetgevingstraject in 2012 ziet er als volgt uit:

- februari/juni Adviesaanvragen en consultatie veld

- juni/juli Ministerraad

- augustus/september Raad van State

- november/december Verwerken advies Raad van State

- december Wetsvoorstel indienen bij Tweede Kamer

Geen individuele wettelijke aanspraak op zorg
In de huidige wetgeving is voor de meeste zorgvormen zoals de geïndiceerde jeugdzorg, de jeugd-GGZ en de jeugd-LVB een ‘recht op zorg’ opgenomen. Deze individuele wettelijke

aanspraak op gespecialiseerde zorg heeft er in het huidige stelsel toe geleid dat eerder dan nodig gezocht werd naar oplossingen buiten de eigen vertrouwde sociale omgeving van het kind. In combinatie met de huidige vormgeving van de (vaak dure en ingewikkelde) indicatiestelling heeft dit geleid tot overbelasting van de sector en soms lange wachtlijsten.

De VNG pleit er met het Rijk voor dat in de nieuwe wetgeving geen individuele wettelijke aanspraak op gespecialiseerde zorg wordt opgenomen omdat dit in de praktijk een integrale aanpak (denk daarbij aan het inschakelen van informele netwerkhulp en/of het flexibel inschakelen van deskundigheid) in de weg staat. Door daarentegen aan te sluiten bij de filosofie van de Wet maatschappelijke ondersteuning kunnen ouders en jeugdigen eerder betrokken worden bij de vormgeving van hun ondersteuning. Hierdoor staat niet het probleem centraal, maar de gezamenlijk te vinden oplossing. Daarbij ziet de VNG ook aanknopingspunten met het compensatiebeginsel zoals dat in de Wmo wordt gehanteerd: opvoeders en/of kinderen kunnen rekenen op compensatie indien zich problemen voordoen bij de opvoeding en/of het opgroeien.

Omdat de decentralisatie gepaard gaat met een bezuiniging van ongeveer 10% (300 mln vanaf 2017) zullen gemeenten voor minder geld zorg moeten leveren. Dat vereist een scherpe afweging in de eigen mogelijkheden van cliënten en de balans in draagkracht en draaglast. Een claimrecht op zorg staat daar haaks op. Bovendien vereist een wettelijk aanspraak op zorg een min of meer open eind financiering, waarvan geen sprake zal zijn.

Overdracht taken en bevoegdheden
In de bestuurlijke afspraken 2011-2015 is een gefaseerde overheveling van de jeugdzorg opgenomen voor de periode 2014-2016. Deze fasering blijkt bij gemeenten op weinig enthousiasme te kunnen rekenen. Als voornaamste nadeel geldt dat bij fasering de onderdelen van het huidige stelsel gescheiden van elkaar overgaan. Dat werkt niet alleen vernieuwing in de zorg tegen maar is ook organisatorisch en financieel behoorlijk complex omdat gedurende een aantal jaren twee systemen naast elkaar bestaan. In een bestuurlijk overleg met staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten (VWS) en staatssecretaris Teeven (V&J) op 8 december 2011 heeft de VNG, na raadpleging van de VNG-subcommissie Jeugdzorg, samen met IPO geadviseerd te kiezen voor overdracht op één moment. Als dat advies wordt overgenomen, zou de tijdlijn er als volgt uit kunnen zien:

  • Eind 2012 Wetsontwerp ligt bij de Tweede Kamer
  • Medio 2013 Verdeelmodel van het SCP en Cebeon klaar
  • December 2013 Behandeling wetsontwerp afgerond
  • Landelijke dekking bovenlokale afspraken
  • 2014-2015 Voorbereidend jaar voor gemeenten
  • 2015 Invoering nieuwe wetgeving

Bovenlokale uitvoering van taken
Een groot aantal gemeenten heeft zich al bovenlokaal georganiseerd ter voorbereiding op de

komst van jeugdzorgtaken, vaak in aansluiting op gezamenlijke en regionale invoering van de Centra voor Jeugd en Gezin. In de bestuurlijke afspraken 2011-2015 is een aantal afspraken opgenomen over bovenlokale uitvoering van taken, waaronder het formuleren van randvoorwaarden voor bovenlokale uitvoering van taken op het terrein van Jeugdzorg. Deze treft u hieronder aan:

  • Er komen landelijk dekkende afspraken tussen gemeenten over de uitvoering op bovenlokaal niveau van taken op het terrein van jeugdbescherming en jeugdreclassering. Voor de residentiele zorg en het aanbod van zeer specialistische zorg voor jongeren met een licht verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek (GGZ) en voor taken en functies van het huidige Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) wordt u geadviseerd deze op bovenlokaal niveau te organiseren.
  • Gemeenten worden geadviseerd bij het maken van afspraken tussen gemeenten over de bovenlokale uitvoering van taken rekening te houden met en zo mogelijk aan te sluiten bij andere relevante samenwerkingsverbanden. De buitengrenzen van de verschillende samenwerkingsverbanden zijn bij voorkeur hetzelfde.
  • Het is in eerste instantie aan gemeenten om te bepalen op welke schaalgrootte zij de uitvoering bovenlokaal gaan organiseren. De afspraken moeten uiterlijk een jaar voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet gereed zijn. Op het moment dat de wet in werking treedt, moeten de afspraken over de bovenlokale uitvoering van taken operationeel zijn. Indien blijkt dat de afspraken over bovenlokale uitvoering van taken tussen gemeenten niet tijdig worden gerealiseerd treedt het Rijk met de VNG in overleg om te bezien wat er moet gebeuren om de bovenlokale uitvoering van taken tot stand te laten komen.
  • De VNG zal periodiek de voortgang en de inhoud van de afspraken tussen gemeenten over bovenlokale uitvoering van taken monitoren en het Rijk hierover informeren. De VNG en het ministerie van BZK zullen gemeenten ondersteunen bij de vormgeving van de bovenlokale uitvoering van taken. Hierover volgt begin 2012 nadere berichtgeving.

Inzicht in aard en omvang van toekomstige taken heeft prioriteit
Gelet op de bovenlokale samenwerking en gelet ook op een goede overdracht, is het van belang dat gemeenten snel inzicht krijgen in aard en omvang van toekomstige taken, de huidige zorgvraag en de cliëntstromen zodat gemeenten de juiste afwegingen kunnen maken over de inrichting en organisatie van het nieuwe stelsel. De transitie van de jeugdzorg is een proces, waarbij gemeenten mede afhankelijk zijn van informatie van het Rijk, provincies, zorgverzekeraars en zorgaanbieders. De VNG pleit daarom voor het zo snel mogelijk laten uitvoeren van een 0-meting waarmee inzicht kan worden verkregen in de aard en omvang van de (residentiële) jeugdzorg, opvoedzorg, jeugd-GGZ, jeugd-LVB, jeugdreclassering en jeugdbescherming.

Meldcode voor kinderopvang verschenen

Bron: NJi

Eind december 2011 is de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor de kinderopvang verschenen. Deze is uitgebracht door de Brancheorganisatie Kinderopvang.

Deze meldcode is gebaseerd op het basismodel Stappenplan voor het handelen bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling van het ministerie van VWS; de Brancheorganisatie Kinderopvang heeft voor kinderopvangorganisaties specifieke aanpassingen gemaakt. Aan de meldcode zijn twee extra routes toegevoegd: een hoe te handelen bij vermoedens van mishandeling door een beroepskracht en een hoe te handelen bij signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen kinderen onderling.

De Brancheorganisatie meldt dat het niet mogelijk is voor kinderopvangorganisaties om de meldcode zelf aan te passen. De Wet meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling gaat naar verwachting begin 2012 in.

UMC opent Centrum Seksueel Geweld Utrecht

Bron: UMC Utrecht

Het UMC Utrecht opende op 17 januari het Centrum Seksueel Geweld voor de provincie Utrecht. Het doel van het centrum is om slachtoffers die recent een aanranding of verkrachting hebben meegemaakt zo snel mogelijk te helpen.

Het Centrum Seksueel Geweld is 24 uur per dag bereikbaar. Verschillende disciplines werken met elkaar samen, zoals kinderartsen, psychologen, seksuologen, maatschappelijk werkers, rechercheurs, forensisch artsen, verpleegkundigen, gynaecologen en infectiologen.

Slachtoffers van seksueel geweld wachten vaak te lang met het zoeken van psychische en medische hulp. Adequate eerste opvang verkleint het risico op medische problemen zoals soa’s, letsel of ongewenste zwangerschap en psychische problemen zoals een posttraumatische stressstoornis of depressie. Bovendien is de kans groter dat daders kunnen worden opgespoord. Als uit de evaluatie over een half jaar blijkt dat de aanpak in Utrecht werkt, kunnen andere regio’s volgen.

Page 1 of 3123»

Categorieën