Toekomstagenda: Ruimer mandaat voor professional is gevaarlijk

Waar professionals behoefte aan hebben, is niet een opgerekt, maar juist een helder mandaat. Een mandaat dat duidelijke grenzen stelt aan het bereik van de professional. Meer ruimte en vrijheid om te handelen, leiden ertoe dat de samenleving veronderstelt dat de professional alle problemen kan oplossen. De zware last die nu al op deze beroepsgroep rust, wordt zo alleen maar zwaarder.

Nu rechts de macht is, zijn de linkse geitenwollen sokken van de welzijnssector een gemakkelijke prooi voor bezuinigingen. Net als van cultuur is de effectiviteit van welzijn nauwelijks te kwantificeren. En als iets niet aantoonbaar helpt, dan schaffen we het af. Daarom komt de sector met een oplossing: ‘Welzijn Nieuwe Stijl’. Om hun eigen effectiviteit te kunnen vergroten en bezuinigingen af te wentelen, pleiten de opbouwwerker, straatcoach en gezinsregisseur voor een ruimer mandaat.

De straatprofessional zou geen effectief maatwerk kunnen leveren, omdat hij door wetgeving en verantwoordingsstructuren in de weg gezeten wordt. Maar wetten staan nauwelijks in de weg. En die verantwoordingsheisa is natuurlijk overdreven en irritant, maar dat betekent nog niet dat daardoor een professional een multiprobleemgezin niet kan helpen. Een ruimer mandaat gaat slechts gepaard met grotere verantwoordelijkheid voor de individuele professional. De complexiteit van ontembare ellende achter de voordeur blijft gewoon toenemen. In plaats van te pleiten voor een ruimer mandaat, moeten professionals een helder mandaat eisen.

Het welzijnswerk moet anders, effectiever en als het even kan goedkoper. Eén van de oplossingen die het veld oppert is meer handelingsvrijheid, meer ruimte voor de professional. Die roep om ruimte is onlangs gestold in Haagse beleidsplannen. Het veld geeft zijn nieuwe visie de titel ‘Welzijn Nieuwe Stijl’. De nieuwe stijl kenmerkt zich door acht ‘bakens’: de professional is gericht op de vraag achter de vraag, gaat uit van de eigen kracht van de burger, gaat direct ‘eropaf’ en brengt de formele en informele zorg in optimale verhouding. Ook werkt de professional meer collectief dan individueel, laat organisaties samenwerken en is resultaatgericht. Voor al die taken heeft de professional meer ruimte nodig.

Maar die ruimte voor professionals is er allang. Er is geen wet die verbiedt om bij mensen door de brievenbus te praten, om te vragen of er iets aan de hand is. De Wet Bescherming Persoonsgegevens stelt niet dat professionals geen informatie mogen uitwisselen. Zolang dat zorgvuldig gebeurt en in het belang van de klant, is er niets aan de hand. Het zijn daarom ook niet de regels die de professional belemmeren om betere resultaten te boeken. De problemen zijn het probleem. Professionals worden in hun dagelijkse praktijk geconfronteerd met duivelse dilemma’s waar ze niet alleen uitkomen, en waarvan het maar de vraag is of ze ooit opgelost worden. Want waar moet je in hemelsnaam beginnen in een gezin waar pa bezopen is, ma zwakbegaafd, de kinderen regelmatig mishandeld worden, niet naar school gaan, en waar oma op zolder zit te schreeuwen? Het is zelfs een uitkomst als er dan een ‘regel’ is waarop de professional zich kan beroepen om zichzelf te beschermen tegen de onmacht die hem op dat soort momenten bekruipt.

Daarom is het zo gevaarlijk dat professionals zelf roepen om een ruimer mandaat. Los van het feit dat er voldoende ruimte is, verandert een ruimer mandaat niets aan de dilemma’s in de dagelijkse praktijk. Die zijn nog net zo ontembaar als voorheen. Het beeld dat wetgeving en structuur professionals belemmert om te handelen, werkt zelf als een soort reddingsboei. Vooral in situaties waarin de welzijnswerker geconfronteerd wordt met de allergrootste complexe ellende die het voorstellingsvermogen van een normaal mens te boven gaat.

Professionals zijn bezig om hun eigen reddingsboei lek te steken. Zodra de roep om ruimte slaagt, leidt dat ertoe dat de samenleving veronderstelt dat de professional alle ruimte heeft om alle problemen op te lossen. Dat betekent dat de zware last die nu al op deze beroepsgroep rust, alleen maar zwaarder wordt. De samenleving zal meer individuele verantwoordelijkheid bij de professional neerleggen; die had immers alle ruimte om te doen wat hem gevraagd werd. Een ruimer mandaat leidt tot reusachtige verwachtingen. En ieder mandaat gaat gepaard met verantwoordelijkheid.

Waar professionals echt behoefte aan hebben, is niet een opgerekt, maar een helder mandaat. Een mandaat dat duidelijke grenzen stelt aan het bereik van de professional, in plaats van een grenzeloos mandaat dat gepaard gaat met niet te vervullen verwachtingen. Bovenal heeft de professional behoefte aan rugdekking van zijn manager en politieke opdrachtgevers. Want nu kan het zomaar gebeuren dat je als professional zo in de knoei raakt, dat je uiteindelijk voor de rechter komt. Dat overkwam immers de gezinsvoogd die bij de zaak Savannah betrokken was. Die kans neemt alleen maar toe naarmate het mandaat wordt opgerekt. Professionals zijn geen tovenaars.

Eric Dorscheidt adviseur BMC en lid RvT Combiwel
Eelke Blokker adviseur BMC en voormalig directeur daklozenopvang

Complexe vraagstukken

Als docent sociale studies geef ik in het eerste jaar het basisvak Sociaal Agogisch Werk. Hierin komen onder meer de kenmerken van de drie opleidingen MWD, SPH en CMV aan bod. In één van de lessen bracht een student een stelling in: ‘Productfinanciering leidt tot fraude’.

Zijn argument was dat veel problemen niet in vijf gesprekken op te lossen zijn. Een hulpverlener die niet afgerekend wil worden op een te lage output zal de cliënt afsluiten. Om aan de vraag van de cliënt te voldoen zal hij deze tegelijkertijd adviseren zichzelf opnieuw aan te melden. In de cijfers telt dit als twee ‘zaken’ maar in werkelijkheid gaat het om dezelfde cliënt.

Voortvloeiend uit deze opmerkingen werd gesteld dat productfinanciering afdoet aan de kwaliteit van hulpverlening. De hulpverlener kan niet bieden wat de cliënt nodig heeft. Productfinanciering geeft de financiers geen goed inzicht in de inhoud van het werk en dus zal beleid nooit voldoende aansluiten op de werkelijkheid.

Een vraag die voorbijkwam, past goed bij de ontwikkelingen in het kader van Welzijn Nieuwe Stijl en Het Nieuwe Sociale Werk. Wat heeft het voor zin om individuele problemen op te lossen wanneer de omstandigheden waarin mensen leven ongezond of slecht zijn? Het is toch logischer om problemen in samenhang op te lossen. En hoe leg je de tijd vast die je gebruikt om beleidsmakers dat uit te leggen?

Gelukkig werd in de discussie ook opgemerkt dat het wel nodig is én blijft dat er een vorm van aansturing is. De maatschappij moet weten wat er met subsidiegeld gebeurt. De financiers moeten weten dat er niet zomaar wat wordt ‘aangemodderd’. Het is cruciaal dat beleidsmakers weten welke problemen er spelen in de maatschappij. Sociaal werk is een vak, je moet aan bepaalde eisen voldoen. Het is dus terecht dat hulpverleners zich moeten verantwoorden.

Het is geweldig om te zien hoe eerstejaarsstudenten zich ontwikkelen. In eerste instantie komen zij toch enigszins overdonderd de leerfabriek binnen. Twee maanden na de start zijn ze al veranderd van consumerende leerlingen in kritische studenten, bezig met het ontwikkelen van een visie op het vak.

Als zelfstandig ondernemer kom ik op plekken waar ervaren professionals en beleidsmakers zichzelf en elkaar bezig houden met dezelfde kernvragen. Hoe sluit je aan bij de cliënt(en)? Wat is de meest effectieve manier van werken? Wat is er nodig om welzijnswerk zó in te richten dat het transparant is én voldoet aan de behoeften van alle belanghebbenden?

Dit jaar zijn de eerste Masters Social Work in Nederland afgestudeerd. Een afgestudeerde Master of Social Work is als hoogopgeleide professional in staat om sturing te geven aan complexe vraagstukken in de sector Zorg en Welzijn. De sector heeft meer en meer behoefte aan deze professionals om antwoorden te zoeken op vragen die bijvoorbeeld door mijn eerstejaarsstudenten gesteld worden. De Hogeschool van Arnhem en Nijmegen en de Hogeschool van Amsterdam organiseren samen het symposium Master Social Work, zie http://www.symposium-msw.nl/. Ik heb me in ieder geval aangemeld, wie weet vind ik daar enkele antwoorden op de vragen van mijn studenten.

Tineke van Uden (1965) werkte in haar gevarieerde loopbaan met jongeren in de jeugdhulpverlening zoals opvangcentra, internaat, op straat en in het sociaal cultureel werk. In het volwassenenwerk deed zij ervaring op in de vrouwenopvang en stapte daarna over naar het maatschappelijk werk. Inmiddels is zij zelfstandig onderneemster en traint en adviseert organisaties rondom outreachende hulpverlening. Daarnaast is ze parttime docent Sociale Studies ben bij Avans Hogeschool ’s Hertogenbosch.

Eigen bijdrage ggz stigmatiserend

Een forse eigen bijdrage voor specialistische psychiatrische hulpverlening is niet alleen stigmatiserend, de maatregel kan wel eens meer – maatschappelijke – schade  aanrichten dan het aan financiële winst oplevert. Het is daarmee een maatregel die niet op de lange termijn is gericht en waarvan ook nog eens een kwetsbare groep mensen het slachtoffer wordt.

Terug bij af

Waarom een eigen bijdrage betalen van, zoals het nu lijkt 90 euro, als je psychiatrische hulp nodig hebt en geen eigen bijdrage voor iemand die zijn been breekt of moet worden geholpen aan een hartziekte? Met deze door demissionair minster van volksgezondheid Ab Kklink aangekondigde maatregel is de ggz weer voor een belangrijk deel terug bij af.

Wegnemen stigma

Jarenlang is veel geïnvesteerd in het wegnemen van het stigma dat rustte op psychische problemen. Veel mensen schaamden zich voor een bezoek aan de psychiater en wachtten daardoor soms te lang voor ze hulp inriepen. Dat is nu wel grotendeels voorbij. Mensen zelf, maar ook hulpverleners als huisartsen, zijn er van doordrongen dat het goed is om bij psychische problemen in een vroeg stadium in te grijpen en goede hulp te bieden om erger te voorkomen.

‘Anders zijn’

Soms kan het daarbij nodig zijn meer specialistische hulp te bieden of tijdelijk iemand op te nemen. Om hem of haar te beschermen of om overlast voor de samenleving te beperken. Dat nu voor psychische hulp een eigen bijdrage wordt gevraagd en voor hulp bij andere meer lichamelijke ziektebeelden niet, is een moeilijk uit te leggen onderscheid en werkt bovendien stigmatiserend. Je geeft er het signaal mee af dat psychische ziekten ‘anders zijn’ en dus ook financieel anders behandeld kunnen worden.

Laag inkomen

Dat is op zich al kwalijk. Ernstiger is dat je hiermee de kans vergroot dat mensen die echt specialistische psychiatrische hulp nodig hebben, deze niet meer vragen. Domweg omdat ze het zich niet kunnen permitteren. Psychische aandoeningen komen relatief veel voor bij mensen met een laag inkomen. Dan gaat het bijvoorbeeld om mensen met psychoses, soms zwervend op straat, of mensen die zwaar depressief zijn.
Hen de hulp onthouden kan leiden tot veel grotere problemen, voor henzelf, hun omgeving en de samenleving in het algemeen. Zeer kwetsbare mensen in de samenleving, worden hierbij deels aan hun lot overgelaten. Dit is strijdig met het uitgangspunt van het ministerie dat de voorgestelde bezuinigingen niet ten koste mogen gaan van de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg. Omdat de eigen bijdrage en daarmee de zorg zelf voor deze groep moeilijk betaalbaar is, is deze ook slecht toegankelijk en krijgen de mensen uiteindelijk niet de kwaliteit van zorg die ze nodig hebben.

Ketenzorg

Toegegeven, de financiële problemen in de zorg zijn groot en ieder zal zijn bijdrage moeten leveren aan het oplossen van die problemen. Maar het kan toch niet zo zijn dat de rekening daarvan eenzijdig bij een zeer kwetsbare groep wordt gelegd. Met bovendien het grote risico dat de problemen en daarmee ook de kosten voor de samenleving op termijn alleen maar hoger zullen zijn.
Waarom het niet veel meer zoeken in goede preventie, in meer ambulante hulpverlening en het verder ontwikkelen van ketenzorg voor mensen met psychische problemen? Door vroege signalering kan in een eerder stadium goede zorg worden geboden. Daarmee kan worden voorkomen dat mensen te snel specialistische zorg nodig hebben en houd je de kosten meer in de hand.
Je investeert daarmee in kwaliteit van zorg, dichtbij de mensen en goedkoper. Daar bereik je meer mee, ook voor de lange termijn, dan met een te hoge eigen bijdrage. En, niet minder belangrijk, je laat mensen in hun waarde.

Diana Monissen

Diana Monissen

Diana Monissen

Voorzitter raad van bestuur De Friesland Zorgverzekeraar

Marleen Barth: ‘Niemand doet voor de lol een beroep op de ggz’

Bron: GGZ-Nederland

‘We moeten patiënten niet in hun portemonnee treffen’, stelt Marleen Barth, voorzitter van GGZ Nederland. Minister Klink wil de uitgaven in de ggz met 140 miljoen euro terugdringen. Maar door zijn maatregelen moeten de meest zieke mensen het meeste gaan betalen, zegt Barth.

De uitgaven in de ggz zijn sinds 2000 bijna verdubbeld tot ruim 5 miljard euro in 2009. Jaarlijks is dat een groei geweest van 10 procent. Zorg aan jeugd en begeleid wonen zijn de grootste groeiers. Oorzaken van de sterke toename van geestelijke gezondheidszorg zijn volgens Barth toegenomen wetenschappelijke kennis, verbeterde diagnostiek en de vergrijzing die gepaard gaat met problemen met de geestelijke gezondheid.

Verslaafden
‘Die toegenomen kennis werpt vruchten af’, legt Barth uit. ‘Kijk naar autisme: 25 jaar geleden zaten we nog met de handen in het haar. Nu kunnen we kinderen veel eerder en beter diagnosticeren en behandelen.’ De hogere uitgaven aan begeleid wonen zijn volgens de voorzitter toe te schrijven aan het beleid van grote steden, waarbij daklozen en verslaafden zo veel mogelijk van straat worden gehaald. ‘Daardoor is de veiligheid op straat toegenomen.’

Prikkel
De enorme groei in de ggz loopt in lijn met de totale groei in de zorgsector, zegt Barth. Maar de komende jaren moet de groei wel omlaag, vindt ze. Demissionair minister Klink denkt 110 miljoen euro te bezuinigen door een eigen bijdrage te vragen aan patiënten in de tweedelijns ggz. Nu geldt alleen een eigen bijdrage voor eerstelijns ggz. En die geeft volgens Klink de verkeerde financiële prikkel. Wél betalen voor de eerste lijn werkt meer doorverwijzingen naar duurdere en specialistische tweedelijnszorg in de hand, waarvoor geen eigen bijdrage wordt gevraagd. Bijna 30 procent van de cliënten in de tweede lijn heeft milde psychische klachten. Zij kunnen ook terecht in de eerste lijn, aldus Klink.

Ernstig ziek
Volgens Barth is die 30 procent die onterecht specialistische zorg zou krijgen, totaal uit de lucht gegrepen. ‘Ik weet niet waarop Klink dat baseert. In de tweedelijnszorg zitten mensen die ernstig ziek zijn. Die zitten daar niet voor de lol.’
De eigen bijdrage zou in eerste instantie 175 euro per consult zijn. Na een Algemeen Overleg over de eigen bijdrage was Klink bereid de hoogte ervan aan te passen: 90 euro per consult. Barth heeft er gemengde gevoelens bij. Het is gelukt om het oorspronkelijke bedrag te verlagen. Maar GGZ Nederland blijft zich verzetten tegen de eigen bijdrage.

Portemonnee
‘Mensen moeten de zorg krijgen die ze nodig hebben’, vervolgt Barth. ‘Hen in de portemonnee raken, werkt niet. Een eigen bijdrage is heel onverstandig en treft de meest kwetsbare mensen.’ Volgens de voorzitter kun je ook anders bezuinigen. Door de bureaucratie terug te dringen bijvoorbeeld. ‘De papierwinkel in de ggz is door allerlei verplichte registraties alleen maar groter geworden. En de overheid kan ook meer doen aan preventie, bijvoorbeeld van alcholol- en drugsgebruik.’

Bedden
Daarnaast deed GGZ Nederland ook voorstellen om online hulpverlening en domotica te stimuleren. ‘Daarmee kunnen we de effectiviteit vergroten. Zeker voor jongeren is hulpverlening via internet heel toegankelijk. Wij zien daar veel mogelijkheden.’ Tot slot kan het aantal bedden in de ggz met 20 tot 25 procent worden teruggedrongen, stelt de voorzitter. ‘Veel cliënten willen liever thuis worden behandeld. Daar zijn goede protocollen voor, maar het beleid stimuleert nu nog juist het gebruik van bedden.’

Samenwerken vereist moed en doorzettingsvermogen

Samenwerken vereist moed en doorzettingsvermogen

In een oproep van een tiental medisch specialisten in de NRC van 23 juni 2010 komt het duidelijk naar voren: het steeds maar blijven opknippen van de zorg maakt de zorg duurder en slechter. Zij willen persoonsgericht generalisme als uitgangspunt in de zorg. Ik kan me daar helemaal in vinden. En heel veel artsen en verpleegkundigen die ik spreek ook. Maar toch gebeurt het onvoldoende, en naar de beleving van veel patiënten en zorgverleners zelfs steeds minder. Hoe komt dat? Wat kunnen we daar aan doen?

omdenken

omdenken

Moedig leiderschap

In een blog kan ik niet alle antwoorden proberen te geven, maar een ding is zeker: het duale stelsel wat we nu hebben met aan de ene kant budget-gefinancierde instellingen en behandelingen, en aan de andere kant zorgverleners en behandelingen waarvoor in principe prijs en kwaliteit vrij te bepalen zijn tussen patiënt/zorgverzekeraar en zorgverlener, is een enorme hindernis. Het vereist moedig leiderschap om ondanks deze hindernissen toch tot verbeteringen te komen. Juist vanwege het dreigend teloor gaan van het persoonsgericht generalisme in de eerste lijn, hebben wij een stap gezet om zelf de ontwikkeling van geïntegreerde eerstelijnscentra ter hand te nemen. Samen met een investeerder, Reggeborgh, die ook managementkennis en kracht inbrengt. Wij hebben hoge verwachtingen van dit nieuwe bedrijf, Zorgpunt, zowel voor patiënten als voor de zorgverleners.

Belangen

Maar er is meer nodig. In de curatieve ouderenzorg is ook het besef aan het doordringen dat een generalistische blik op ook het welbevinden van de oudere patiënt van groot belang is voor het maken van keuzes in de behandelopties. Maar het daadwerkelijk in een ziekenhuis of regio invoeren van een dergelijke manier van werken gaat dwars door de belangen van individuele praktijken, maatschappen en instellingen heen. Om dat te doorbreken is geen sinecure, en vergt van alle betrokkenen moed en verbeelding, maar ook vertrouwen in elkaars bedoelingen. Wij zijn in Groningen hierbij nauw betrokken. Ik heb er goede hoop op dat het ook gaat lukken om grote stappen te zetten in de goede richting.

Inspiratie

Ik wil maar zeggen dat de kansen om leiderschap te laten zien, overal in de zorg voldoende aanwezig zijn. Ik hoop dat iedereen, ook de komende weer politiek onzekere maanden, dat niet uit het oog wil verliezen. Op 14 oktober 2010 organiseert STG/Health Management Forum In samenwerking met de Nationale Zorgvernieuwingsprijs een toekomstforum over moedig leiderschap in de zorg. Als u inspiratie zoekt, en contact met andere leiders, schrijf u dan in!

Bas Leerink

Lid raad van bestuur Menzis

Per Saldo krijgt visie op indicatie cadeau

Bron: CIZ

Zaterdag 11 september was het dubbel feest in de NDSM-werf te Amsterdam. Het persoonsgebonden budget en Per Saldo bestaan 15 jaar! De jarige organiseerde een ledenvergadering, congres en Festival 5D. Als klap op de vuurpijl werd Aline Saers geridderd vanwege haar grote verdiensten voor de gehandicapte medemens en de budgethouders in het bijzonder.

Vrienden geven de jarige cadeaus
Geregisseerd door de geridderde directeur en haar bestuursvoorzitter Frans Oostrik ontving het jarige Per Saldo “cadeaus” van enkele stakeholders. De CG-Raad gaf steun aan het pgb als ultiem middel om de eigen regie op alle levensdomeinen te realiseren. Anouchka van Miltenburg had namens de politiek graag als cadeau een wetsvoorstel voor het pgb gegeven, maar de politiek is er nog niet rijp voor. Ondergetekende werd in zijn dubbele hoedanigheid als hoogleraar en CIZ-directeur gevraagd een cadeau mee te brengen voor integraal indiceren, als een van de hoekstenen voor het participatiebudget.

Uniek kosteneffectief instrument
Als hoogleraar heb ik in eerdere columns mijn enthousiasme voor het pgb verwoord, gebaseerd op onderzoeken die laten zien dat pgb-houders tegen circa 75 procent van het natura-budget, veel beter zorg op maat realiseren tegen lagere kosten, creatiever spelen met de schaarse middelen gedurende het beloop van hun zorgcarrière, en daarbij ook hun zelfbeeld en kwaliteit van leven op een hoger plan weten te houden. Nuanceringen zijn ook nodig, bijvoorbeeld dat niet iedere burger zo maar alles zelf kan regisseren en beheren. Als er gaten vallen tussen vraag en aanbod, komen er altijd intermediaire organisaties, maar dat gaat niet altijd goed. Incidenten en technische regelingen voeren vaak de boventoon, niet de mens die regie over eigen leven wil houden. Dat je in bezuinigingstijd juist een van de meest kosteneffectieve instrumenten in de AWBZ als eerste pakt, is wrang.

Van PGB naar participatiebudget
Tijdens het verjaardagsfeest echter geen frustratie, Per Saldo strijdt onverschrokken door voor een krachtig, zuinig en solide pgb. Dat beperkt zich nu tot zorg, maar zou alle levensdomeinen moeten omvatten voor mensen met beperkingen. Van pgb naar integraal participatiebudget. Per Saldo wil daarvoor onder andere één loket en één indicatiestelling. Participatie als ambitie voor indiceren, is gebaat bij een integrale beoordeling van de vraag van de burger. Als cadeau hiervoor mocht ik namens het CIZ meebrengen het visierapport dat onder leiding van CIZ-bestuurder Arjan Vermeulen is ontwikkeld over integraal indiceren.

Indiceren voor domeinen
Tachtig procent van het indicatiewerk is enkelvoudig en moet snel, simpel en zuinig tot stand komen. Als de vraag complexer is en verschillende wetten verspant, neemt het risico op afstemmingsproblemen toe en werken organisaties sneller langs elkaar heen. Het is niet reëel te hopen dat de sociale zekerheid, de zorg, de maatschappelijke ondersteuning en het onderwijs in één wettelijk systeem kunnen worden ondergebracht. Daarvoor zijn de verschillen in bevoegdhedenverdeling, sturing en financiering te groot. Dat betekent dat de samenhang gerealiseerd moet worden door de indicatiestellingen uit de verschillende domeinen goed op elkaar af te stemmen. De vraag van de burger is leidend, ondersteund door een servicegericht ‘loket’ dat adequaat antwoord geeft op zijn vraag. Daarvoor is kennis en kunde nodig van een breed palet van wet- en regelgeving. Die breedte kan het beste benaderd worden vanuit met elkaar samenhangende beleidsvelden en de benodigde vakkennis voor de beoordeling van de vraag. Dat vergt loslaten van oude ordeningsprincipes en zoeken naar nieuwe indelingscriteria. We onderscheiden drie domeinen: ten eerste zorg, maatschappelijke ondersteuning en wonen; ten tweede onderwijs, jeugd en opvoeding; en ten derde werk, inkomen en sociale zekerheid. Binnen en tussen domeinen dient er stroomlijning van de wettelijke indicatiecriteria te komen.

Stroomlijning
Vanuit het perspectief van de cliënt moet de één-loketformule passen in de lokale infrastructuur waarin goede afstemming tussen de domeinen plaatsvindt. De informatie- en registratiehuishouding dienen zo te worden georganiseerd dat de gevraagde gegevens voor alle domeinen bruikbaar zijn. Burgers hoeven dan niet keer op keer hun verhaal opnieuw te vertellen. Een goede domeinbenadering verlegt bovendien de competentiediscussie naar complementair samenwerken. De indicatiesteller heeft de professionele kennis van regelgeving op verschillende terreinen en de vaardigheid om de noodzakelijke ondersteuning met het oog op participatie in beeld te brengen. De professional in de dienst- en zorgverlening zelf beschikt over kennis en kunde op het eigen vakgebied. Op deze wijze kan ook inhoud gegeven worden aan casemanagement en ketenaanpak.

Nationaal kader lokaal uitvoeren
Er moet een nieuw evenwicht worden gevonden tussen centrale sturing en lokale invulling. Indicatiestelling voor meerdere wetten en sectoren waarvoor verschillende overheden en ministers verantwoordelijk zijn, vereist een landelijk uniforme werkwijze. Het per domein organiseren van een indicatieautoriteit is daarom een rijksaangelegenheid. Voor de financiering is dit onderscheid ook leidend. Op lokaal niveau moet echter variëteit in de dienstverlening ontstaan op terreinen waarop de gemeente bevoegd is, waardoor een verbinding ontstaat met een gebiedsgerichte aanpak. Deze inhoudelijk gedreven heroriëntatie op indicatiestelling kent dus twee sporen: het rijk de drie indicatieautoriteiten en de gemeente de lokale loketinfrastructuur. Zo wordt de basis gelegd voor een landelijk kader voor lokale indicatiestelling. Dat zou een mooi cadeau zijn!

Robbert Huijsman
Directeur Kenniscentrum CIZ

Italiaanse toestanden rond AWBZ in regeerakkoord?

Welk kabinet er ook komt, het regeerakkoord zal een uitspraak moeten doen over de toekomst van de AWBZ. Het probleem is duidelijk: te weinig arbeidskrachten, te veel kosten en te weinig zeggenschap voor de cliënt. Hoe krijgen we dat opgelost?

Aanpakken vergrijzing
Meer of minder marktwerking, CIZ opheffen of verkleinen, pakketverkleining, minder bureaucratie (altijd goed), of tienduizend extra handen aan het bed in verpleeg- en verzorgingshuizen, zoals de PVV bepleit? Nu is Nederland niet het enige land dat voor deze opgave staat. We zijn een land dat veel geld aan zorg uitgeeft, terwijl we zowat het minst vergrijsde land van Europa zijn. Hoe pakken andere landen met meer vergrijzing en minder geld dit probleem op?

Verschil in uitgaven
Een zojuist verschenen ‘Policy brief’ van het European Centre for Social Welfare Policy and Research in Wenen laat zien, dat verschillen in uitgaven tussen de diverse Europese landen vooral te maken hebben de mate waarin de zorg publiek of privaat wordt gefinancierd, de keuze voor zorg aan huis of institutionele zorg, de kwaliteitsniveaus en de plaats van mantelzorg.

‘Zwarte mantelzorgmarkt’
Mantelzorg is de voornaamste bron van zorg, zo weten we. We weten ook dat deze zorg onder druk staat in een vergrijzende populatie. In grote delen van Europa (onder andere Italië, Griekenland, Spanje, Oostenrijk, Duitsland) is dan ook een grote ‘zwarte markt’ ontstaan van migranten die de rol van mantelzorgers overnemen. Zij wonen ín bij kwetsbare, vaak demente ouderen en worden particulier of met persoonsgebonden budgetten betaald. In Italië alleen al zijn hiertoe tussen 2002 en 2009 maar liefst 900.000 migranten gelegaliseerd. Het gaat dan om mensen uit landen als de Oekraïne, Moldavië, Roemenië, Albanië, Marokko, China, Slovenië, Zuid-Amerika; andere taal, maar doorgaans goed opgeleid in de zorg.

In Nederland werken ook veel mensen van allochtone afkomst in de zorg. Ook hebben oudere migranten vaak veel informele steun van hun verwanten. Maar de grootschalige inzet van ‘migrant care workers’, zoals dat in de vakliteratuur heet, kennen we niet.

Toekomstscenario’s
Inzetten op migranten als vervanging van mantelzorg is in de vele toekomstscenario’s die we in ons land de revue zagen passeren niet echt een onderwerp geweest. Dat is vreemd. Waarom zou deze trend aan ons voorbij gaan? Hij kan immers zomaar de kop op steken. Dat gebeurt als burgers zelf veel meer voor de zorg gaan betalen (en het voor het zeggen krijgen), als het verzekerd pakket kleiner wordt, er minder beroepskrachten zijn, het aantal mantelzorgers afneemt en zorg aan huis de norm wordt. En dat zijn opties die wel in de scenario’s aan de orde kwamen.

Herformuleren
Voor je het weet, hebben wij dus ook ‘Italiaanse toestanden’ (en dan heb ik het niet over de stabiliteit van onze regering). Als in het nieuwe regeerakkoord de verkeerde keuzes staan, zal dit scenario zich vanzelf voltrekken. We moeten daarom de plaats die zorg – of misschien is het woord ‘zorgzaamheid’ beter – in onze samenleving moet hebben herformuleren. Dat zou het migratiedebat een stuk verder helpen en raakt meer de kern van het AWBZ vraagstuk dan de structuurdiscussies die we permanent voeren.

Henk Nies
Voorzitter raad van bestuur Vilans

Help, ik word 18!!!

Annelies Spitz

Als je 18 jaar wordt komt er veel op je af. Je bent eindelijk volwassen, en je mag je rijbewijs gaan halen.

Maar je krijgt ook verplichtingen zoals het afsluiten van een eigen zorgverzekering, je kan je inschrijven voor een zelfstandige woonplek en mogelijk studiefinanciering aanvragen.

Hoe regel je dit allemaal? En hoe kom je aan het geld om alles te betalen?

Dit zijn vragen die niet alleen jongeren in de jeugdzorg bezighoudt, maar jongeren en ouders in het algemeen.

Geïnspireerd door al deze vragen ben ik aan de slag gegaan om iets te maken wat als leidraad kan dienen in de zoektocht van regels en regelingen waarmee je vanaf je 18de jaar te maken kunt krijgen.

Deze leidraad is een handleiding voor jongeren die is samengesteld na overleg met jongeren, om het zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij de doelgroep.

Een jongere zal zelf deze zaken moeten regelen, met eventuele hulp van zijn/ haar sociale netwerk.

Ik ben van mening dat iedereen die 17,5 jaar wordt deze handleiding in handen moet krijgen om alles op tijd geregeld te hebben. Zo kan een jongere zich beter voorbereiden op de toekomst, en kunnen veel problemen worden voorkomen.

Zelf ben ik maatschappelijk werker, werkzaam als pedagogisch begeleider in de jeugdzorg.

Dit project heb ik opgezet tijdens mijn opleiding tot social worker. Aangezien ik ervan overtuigd ben dat dit idee niet in de kast mag verdwijnen heb ik besloten om het verder uit te werken in mijn vrije tijd.

Mocht u interesse hebben in mijn project dan zou ik het leuk vinden als u contact met mij opneemt. Omdat het project nog in ontwikkeling is stel ik het op prijs om met mij mee te denken over het implementeren in de maatschappij.

Ik ben te bereiken via mijn e-mail adres: info@helpikword18.nl

Annelies Spitz

PVV bekent kleur, nu de zorg nog

Door: Gerard van Pijkeren

VVD, CDA en PVV onderhandelen over een regeer- en een gedoogakkoord. Dat moet resulteren in een kabinet van CDA en VVD met steun van de PVV. Steun voor onderdelen van het regeerakkoord vanuit een gedoogpositie, zo luidt de verklaring van de drie partijen.

PVV-wensen in gedoogakkoord
En daar staat tegenover dat VVD en CDA wensen van de PVV in het gedoogakkoord honoreren. En die wensen zijn harde afspraken over immigratie, integratie en asiel, veiligheid en betere ouderenzorg gekoppeld aan de bereidheid van de PVV bezuinigingen te steunen.

Groeiend verzet
Of de onderhandelingen voor Rutte en Verhagen eindigen op het bordes van Paleis Huis ten Bosch met virtuele aanwezigheid van Wilders is nog niet te zeggen. Onder de Haagse stolp lijkt de formatie -ondanks de nodige hobbels- een gelopen race. Maar het verzet binnen het CDA kan de onderhandelingen onder druk zetten en wie weet leiden tot het mislukken ervan.

Eigen zorg eerst?
Dat verzet zwelt de laatste dagen aan, maar behalve media-aandacht is er weinig maatschappelijke support voor de CDA-opposanten. In zekere zin is het ook wel gemakkelijk dat het CDA ‘probleemeigenaar’ is geworden. Waar blijven handreikingen van politieke partijen, die niet met de PVV willen regeren, om het verzet in het CDA te faciliteren met tegemoetkomingen om een alternatieve coalitie te vormen? En wat vinden maatschappelijke en brancheorganisaties eigenlijk? Tot nu toe lijken die zich alleen te bekommeren om hun eigen sector. Afhankelijk van de te verwachten coalitie betrekken zij –zoals gebruikelijk- stellingen om er zo veel mogelijk uit te slepen.

PVV ‘redder’ van de zorg?
De zorgsector blijft daarbij niet achter. Standpunten van zorgkoepels, verzekeraars en cliënten- en patiëntenorganisaties over stelsel, ketens en uitvoering gaan richting informateurs. Maar een opvatting over de ‘coalitie in de maak’ is blijkbaar niet aan de orde. In de onderhandelingen speelt zorg een hoofdrol. Met bezuinigen gaan vooral de VVD, maar ook het CDA veel verder dan de PVV. En in de Programmavergelijker Ouderenbeleid die Kieskompas voor de koepel van ouderenorganisaties CSO heeft gemaakt, scoort de PVV beter dan CDA en VVD. Niet voor niets figureert betere ouderenzorg naast immigratie en integratie in het rijtje van PVV-wensen. Werpt de PVV zich straks met harde afspraken in het gedoogakkoord van het kabinet Rutte op als ‘redder’ van de zorg?

De vlag die de lading dekt
“De agenda van hoop en optimisme” (het Verkiezingsprogramma van de PVV) laat geen misverstand bestaan over de visie van de PVV op de samenleving. Het voorwoord sluit af met: “De keuze die 9 juni voor ons ligt is een simpele: nog verder de multiculturele afgrond in, of herstel van onze traditionele normen en waarden. Kiezen voor veiligheid of kiezen voor nog meer criminaliteit. Kiezen voor de islam of voor Nederland. Kiezen voor onze vlag of de vlag van de multiculturele EU-heilstaat. Kiezen voor meer van hetzelfde, of kiezen voor hoop en optimisme. Dit is een tijd om te kiezen. De PVV heeft gekozen. Dit zijn onze keuzes.” Deze PVV-vlag dekt ook de lading voor de zorg, waarvan in het programma gezegd wordt, dat die in rap tempo islamiseert.

Grondrechten en pluriformiteit
De PVV retoriek doet geen recht aan de werkelijkheid in de zorg en biedt ook geen oplossing voor de problemen die er zijn. Pluriformiteit is in de zorg sinds jaar en dag een groot goed. En dat geldt ook voor een steeds grotere groep allochtone Nederlanders die zorg nodig heeft. Overigens is het vanuit het perspectief van de arbeidsmarkt noodzaak dat allochtone Nederlanders in de zorg (gaan) werken.

Kleur bekennen
VVD en CDA gedogen –wanneer de onderhandelingen slagen- de PVV-visie in ruil voor regeren. Wat weegt voor de koepel- en brancheorganisaties in de zorg het zwaarst? Opportunistisch meedeinen op de golven van de formatie en de PVV voor lief nemen of nu ondubbelzinnig afstand nemen van het gedachtegoed van de PVV? Op tijd kleur bekennen of kiezen voor de gedoogzone?

Gerard van Pijkeren

Zorg moet in innovatieparagraaf van regeerakkoord

Door Henk Smid, directeur ZonMW

Gezaghebbende partijen (VNO-NCW, MKB, KNAW, NWO, VSNU, TNO) hebben aan de informateur een manifest uitgebracht waarin zij pleiten voor een langjarig strategische onderzoeksagenda. Dat voor het eerst in de geschiedenis zo’n breed gedragen manifest wordt uitgebracht, is veelbetekenend.

Kennelijk gaan de partijen er van uit dat de politiek nog eens aan haar eigen voornemens herinnerd moet worden. Er ligt namelijk een Kamerbrede motie om Nederland weer in de top vijf van de kenniseconomieën te krijgen.

Incidentele thema’s
De manifestpartijen stellen dat in ons land veel publieke middelen vaak via incidentele thema’s , programma’s en regelingen worden verdeeld. Dit werkt volgens hen versnippering en kleinschaligheid in de hand.

Gepleit wordt voor een strategische onderzoeksagenda, gericht op focus, regie en samenhang in onderzoek en innovatie. En, jawel hoor, bij zo’n pleidooi past ook een nieuw orgaan: de Kennis- en Innovatieraad. Zeer waarschijnlijk de opvolger van het Innovatie Platform.

Landelijke onderzoeksagenda
Wat betekent dit nu voor de onderzoeksagenda voor de volksgezondheid? Die zou mijns inziens van zo’n landelijke onderzoeksagenda kunnen profiteren. Hoewel gezondheid niet tot de oorspronkelijke sleutelgebieden van het Innovatie Platform behoorde en waarnaar in het manifest verwezen wordt, zal het in een nieuw onderzoeksagenda zeker prioriteit worden. Alleen al het jaarlijks budget van deze sector rechtvaardigt zo’n besluit.

Nut Kennis en Innovatieraad
Vervolgens dient zich de vraag aan of de gezondheidssector belang heeft bij de voorgestelde Kennis- en Innovatieraad. Een Kennis- en Innovatieraad zou zich kunnen richten op enkele vitale hoofdlijnen, zoals een lange termijn aanpak en het aandeel van R&D voor de volksgezondheid binnen het totale nationale budget voor onderzoek en innovatie. De inhoud en uitvoering van de strategische onderzoeksagenda voor de volksgezondheid zou naar mijn idee dichtbij de partijen moeten liggen die een belang hebben bij de resultaten ervan. Ook het vakministerie VWS, die voor haar besluitvorming in sterke mate afhankelijk is van kennis, zou hier een prominente rol moeten vervullen. Binnen de gemeenschappelijk geformuleerde onderzoeks- en innovatieprioriteiten kunnen intermediaire organisaties, zoals ZonMw, zorgen voor een zorgvuldige en onafhankelijke nadere invulling van deze prioriteiten, de uitvoering van onderzoeksprogramma’s, alsmede de evaluatie ervan.
 
Op dit moment is het nog koffiedik kijken naar een nieuw regeerakkoord. Maar in de onderzoeks- en innovatieparagraaf van dit akkoord mag de volksgezondheid zeker niet ontbreken.   

Henk Smid
Directeur ZonMw

Page 12 of 14« First...«1011121314»

Categorieën