| Bloemen

Een man stopte bij een bloemenwinkel om bloemen te bestellen en die te laten bezorgen bij zijn moeder die 200 kilometer verderop woonde.

Toen hij uitstapte zag hij een klein meisje op het trottoir dat zat te snikken. Hij vroeg wat er aan de hand was en zij antwoordde: ‘Ik wilde een rode roos kopen voor mijn moeder, maar ik heb maar 70 cent en ze kosten 2 euro.’

De man glimlachte en zei: ‘Kom mee, dan koop ik een roos voor je.’ Hij kocht een roos voor het meisje en bestelde bloemen voor zijn moeder via de bloemenlijn.

Toen ze naar buiten liepen zei hij :‘Zal ik je even brengen?’  ‘Oh, als u me naar mijn moeder wilt brengen, graag’, zei het meisje.  Ze wees hem de weg naar… het kerkhof, waar ze de roos op een vers  gedolven graf legde.

De man keerde terug naar de winkel, bestelde de bloemen af, kocht een   boeket en reed de 200 kilometer naar zijn moeder.

| Een koninklijke dienaar

De koning van Kamara in Afrika was een trotse man, gevreesd door al zijn onderdanen. Op  een  dag  toen  hij  in  zijn  lemen  paleis  zat,  omgeven  door  zijn  hofdienaren en onder het oog van een menigte van mensen die was komen  kijken,  werd  hij  plotseling  bevangen  door  een  vlaag  van grootheidswaanzin en riep hij uit dat hij de heer van de wereld was en dat alle mensen zijn dienaren waren.

‘U zit ernaast!’, zei een schriele stem. ‘Alle mensen zijn dienaren van elkaar.’ Een dodelijke stilte volgde. Het bloed leek te bevriezen in de aderen  van de aanwezigen. Toen ontstak de koning in woede. ‘Wie zei dat?’, vroeg hij, terwijl hij oprees uit zijn troon. ‘Wie durft te  beweren dat ik een dienaar ben?’

‘Ik!’, zei een stem in de menigte, die uiteen week om een oude man met wit haar door te laten, die zwaar op een stok leunde.  ‘Wie ben jij?’, vroeg de koning. ‘Ik ben Boubakar’, zei de man. ‘In ons  dorp is geen water en ik ben gekomen om u te vragen of er een put geslagen kan worden.’ ‘Dus jij bent een bedelaar!’, riep de koning uit.

‘En jij hebt de brutaliteit om mij een dienaar te noemen?!’

‘Wij zijn allemaal dienaars van elkaar’, zei Boubakar, zonder een spoor van angst, ‘en ik zal u dat bewijzen voor de avond invalt.’ ‘Moet je doen!’, zei de koning. ‘Ik kan haast niet wachten, als het je lukt zal ik niet een, maar wel drie putten laten slaan, maar als het je niet lukt kost  het je de kop.’

‘In ons dorp’, zei de man, ‘raken we, als we een uitdaging aannemen, de voeten van de ander aan. Laat me uw voeten aanraken, wilt u even mijn stok vasthouden?’ De koning nam de stok aan, de oude man boog voorover en raakte de voeten van de koning aan. ‘Mag ik m’n stok weer terug?’, vroeg hij terwijl hij weer opstond. De   koning gaf hem de stok weer terug.

‘Wilt u nog meer bewijs?’, vroeg hij. ‘Bewijs?’, vroeg de koning getergd.  ‘U hield mijn stok vast toen ik het u vroeg en u gaf hem terug toen ik dat vroeg’, zei de grijsaard, ‘Zoals ik al zei, alle goede mensen zijn dienaren van elkaar.’

De koning was zo onder de indruk van de slimheid en de moed van Boubakar, dat hij niet alleen putten liet slaan in diens dorp, maar hem   ook aanstelde als zijn adviseur.

| De echte bloem

Toen de koningin van Sheba bezoek kreeg van de beroemde Salomo,  die zij dolgraag in wijsheid wilde overtreffen, gaf ze hem een soort  raadsel op. Ze bracht hem naar een vertrek in haar paleis dat door buitengewone kunstenaars met kunstbloemen was gevuld. Het was een wonderlijke weide waarop een zee van geurende bloemen zachtjes wuifde in een briesje van eveneens kunstmatige oorsprong.

De koningin sprak: ‘Dit is het raadsel: een van deze bloemen is echt.  Kunt u mij die aanwijzen?’ Salomo keek aandachtig om zich heen. Hij deed een beroep op al zijn

zintuigen en concentreerde zich tot het uiterste, maar kon de echte bloem er niet uithalen. Hij begon hevig te transpireren en zei daarom tegen de koningin van Sheba: ‘Het is hier buitengewoon warm. Zou u een van uw dienaren kunnen vragen om een raam open te doen?’

De koningin gaf opdracht een raam open te zetten. ‘Dat is de echte  bloem’, sprak koning Salomo even later. Hij kon zich niet vergissen.  Een bij die door het raam naar binnen was gevlogen, was op de enige  echte bloem neergedaald.

| Drie rabbijnen

Drie rabbijnen zitten op de achterbank van een taxi. De eerste zucht en zegt: ‘Als ik aan de Eeuwige denk, moet ik zeggen dat ik echt heel weinig voorstel.’

De tweede rabbijn zegt tegen de eerste: ‘Als jij al zo weinig voorstelt,  wat ben ik dan? Ik ben helemaal niets!’

De derde rabbijn zegt tegen de tweede: ‘Als u niets bent, wat ben ik dan? Ik ben minder dan niets en sta helemaal onderaan.’

De taxichauffeur draait zich om en zegt: ‘Als u zegt dat u niets bent, dat u zelfs minder dan niets bent, wat stel ik dan voor? Daar zijn geen woorden voor. Ik besta gewoon niet.’

De drie rabbijnen kijken elkaar aan en zeggen: ‘Nou ja, wie denkt hij wel niet dat hij is?’

| Rijkdom, wijsheid of schoonheid?

Een engel bezoekt een faculteitsvergadering en kondigt bij de decaan aan dat de Heer hem, vanwege zijn onbaatzuchtige opstelling en zijn voorbeeldfunctie,  wil  belonen  door  hem  de  keuze  te  geven  tussen oneindige rijkdom, wijsheid of schoonheid.

Zonder te aarzelen kiest de decaan voor oneindige wijsheid. ‘Voor elkaar!’, zegt de engel en hij verdwijnt in een rookwolk, omgeven door bliksem.

Alle  ogen  zijn  gericht  op  de  decaan,  die  omgeven  is  door  een geheimzinnig licht.

Een van zijn collega’s fluistert: ‘Zeg iets.’  De decaan zucht en zegt: ‘Ik had het geld moeten kiezen.’

| Arend in het kippenhok

Een boer vond op een dag een arendsei. Niet goed wetende, wat ermee te doen, legde de boer dit ei in zijn kippenhok. De kippen broedden het ei uit en de arend groeide op, samen met de kippen op de boerderij.

De arend deed wat de kippen deden, denkende dat ook hij een boerenkip was. Hij scharrelde en kakelde, groef kleine putjes in de aarde en pikte wormen en insecten. Net als de kippen spreidde hij soms zijn vleugels even uit, klapperde wat en soms vloog hij zelfs een paar meter de lucht in.

Jaren gingen voorbij. De arend werd oud.

Op een dag zag hij hoog boven de boerderij een prachtige grote vogel.  De  grote  vogel  zweefde  sierlijk  door  de  helderblauwe  wolkenloze hemel, moeiteloos, zijn machtige vleugels nauwelijks bewegend, maar met een enorme snelheid en kracht. Bewonderend keek de arend hem na. ‘Wie is dàt?’, vroeg hij.

‘Oh,’ sprak zijn buurman, ‘dat is de arend, de koning van alle vogels. Hij hoort in de lucht. Wij horen op de aarde. Wij zijn kippen.’ En zo leefde de arend het leven van een kip. En hij stierf als een kip. Want dat was het wat hij dacht te zijn.

| De rijkste man

Een rijke  landeigenaar,  genaamd Carl, reed vaak om zijn landgoed heen, om zichzelf te feliciteren met zijn enorme bezit. Op een dag, toen hij weer rond zijn bezit reed op zijn favoriete paard, zag hij Hans, een  oude pachter. Hans zat onder een boom, toen Carl voorbij kwam. ‘Ik was juist God aan het danken voor het eten’, zei Hans.

Carl protesteerde: ‘Als dat alles was wat ik te eten had, zou ik niet gaan zitten danken.’ Hans antwoordde: ‘God heeft me alles gegeven wat ik nodig heb en daar ben ik dankbaar voor. Apart trouwens dat u nu langskomt, want ik had vannacht een droom waarin een stem zei dat de rijkste man van het dal vannacht zou sterven. Ik weet niet wat het betekent, maar het leek me goed het u te vertellen.’ Carl sneerde  ‘dromen zijn bedrog’ en hij galoppeerde weg. Maar hij kon die woorden maar niet vergeten: ‘de rijkste man van het dal zal vannacht overlijden.’

Hij was zonneklaar de rijkste man van het dal, dus nodigde hij nog diezelfde avond zijn arts uit bij hem thuis. Hij vertelde de dokter wat Hans gezegd had. Na een uitgebreid onderzoek zei de dokter: ‘Hans,  je bent zo gezond en sterk als een paard, jij gaat echt niet de pijp uit vannacht.’

Niettemin, voor de zekerheid, bleef de dokter bij Carl en ze speelden een  kaartspel  de  hele  nacht  door.  De  dokter  vertrok  de  volgende ochtend en Carl verontschuldigde zich dat hij zich zo op stang had laten jagen door de droom van de oude man.

Rond negen uur arriveerde een koerier bij Carls deur. ‘Wat is er?’, vroeg Carl.  De  koerier  legde  uit: ‘Het  gaat  om  oude  Hans,  hij  is  in  zijn  slaap overleden vannacht.’

| Ware rijkdom

Op een dag nam de vader van een schatrijke familie zijn zoon mee op een tochtje door het land om zijn zoon te laten zien hoe de arme mensen leven, zodat hij dankbaar zou zijn voor zijn rijkdom.

Ze brachten een paar dagen en nachten door op de boerderij van wat toch echt wel een arme familie mocht heten. Op de terugweg vroeg vader aan zijn zoon: ‘En, hoe vond je de reis?’  ‘Het was geweldig, vader!’ ‘Zag je hoe arm die mensen waren?’, vroeg  zijn pa. ‘Nou en of!’, zei zoonlief. ‘En, wat heb je van de reis geleerd?’,  vroeg zijn vader. ‘Nou,’ zei de jongen, ‘wij hebben één hond, maar zij hebben er vier.’ Wij hebben een zwembad tot het midden van onze tuin, maar zij hebben een plas waar geen eind aan komt.’ ‘Wij hebben speciaal lantaarns laten komen, maar zij hebben de sterren ’s nachts.’  ‘Onze patio komt tot de voortuin, maar zij hebben de hele horizon tot  hun beschikking.’ ‘Wij hebben een beperkt stuk grond om op te leven,  maar zij hebben grond die verder gaat dan wij kunnen zien.’  ‘Wij hebben bedienden die ons bedienen, maar zij bedienen elkaar.’ ‘Wij moeten ons eten kopen, maar zij verbouwen alles zelf.’  ‘Wij hebben hekken rond ons terrein om ons te beschermen, maar zij

hebben vrienden die hen beschermen.’

Zijn vader was helemaal sprakeloos. Zijn zoon ging verder en zei: ‘Dank  je papa, dat je me hebt laten zien hoe arm wij zijn.’

| Het spiegelhuis

Lang geleden was er, in een klein dorpje ver weg, een huis dat bekend  stond als ‘het huis met 1000 spiegels’. Een klein, vrolijk hondje hoorde van dit huis en ging er op bezoek. Toen hij het gevonden had, huppelde hij vrolijk de trap op naar de   voordeur. Hij keek de gang in, met zijn oortjes gespitst en zijn staartje   razendsnel kwispelend.

Tot zijn verbazing ontdekte hij dat hij 1000 andere vrolijke hondjes in de ogen keek, die allemaal met hun staartjes kwispelden. Hij glimlachte breed en ontmoette 1000 even warme en vriendelijke glimlachen. Toen hij het huis weer verliet, dacht hij: Dit is een bijzondere plek, hier kom ik vaker terug!

In hetzelfde dorp besloot een ander hondje, dat niet zo gelukkig was als het eerste, eveneens het huis te bezoeken. Langzaam klom hij de trap op en hij liet zijn koppie hangen toen hij naar binnen keek. Toen hij 1000 onvriendelijk kijkende honden zag die hem aanstaarden, gromde hij en tot zijn grote schrik gromden 1000 honden tegen hem terug. Toen hij wegging dacht hij: Dit is een verschrikkelijke plek, ik kom hier nooit meer terug!

| De kip en de maffia

Een Italiaanse kip besluit lid te worden van de maffia. Ze gaat naar een maffiaminister

en vraagt: ‘Kunt u een aanbevelingsbrief voor me schrijven?’ Waarop deze antwoordt: ‘De maffia? Die bestaat helemaal niet.’  Ze  gaat  vervolgens  naar  een  maffiarechter, maar  ook  deze vertelt haar dat de maffia niet bestaat. Tot slot bezoekt ze een maffiaburgemeester, en vraagt: ‘Kunt u me in contact brengen met de maffia?’

Waarop ook deze haar verzekert: ‘Lieverd, de maffia bestaat niet!’

Daarop gaat de kip terug naar het kippenhok, en in antwoord op de vragen van de medekippen antwoordt zij: ‘Ik heb ontdekt dat de maffia niet bestaat.’ Nu denken alle kippen dat ze lid is geworden van de maffia en zijn ze bang voor haar.

Page 1 of 41234»

Categorieën